Prins van Denemarken

Aantekenschrift van een dwangmatig lezer

vrijdag 20 november 2009

Drieduizend kilometer naar het westen

Ze was een jaar of dertig. Ze had een spleetje tussen haar tanden en vervaagde pokputjes op haar kin, maar haar ogen waren prachtig, met dikke geprononceerde wenkbrauwen en glinsterende schaduwbogen die de natuurlijke breedte van de oogleden voorbijstreefden. Ze droeg een glanzende witte sari met oranje kringels, geschikter voor een avondontvangst dan voor die rustige, wat miezerige namiddag in augustus. Haar lippen waren bedekt met een laagje complementaire koraalrode glos, en een beetje van de kleur was over de randen verdwaald.
Toch was het zijn moeder, met haar beige short met omslagen en haar touwschoenen aan, die uit de toon leek te vallen, had Eliot gedacht. Haar kortgeknipte haar, in een overeenkomstige tint als haar short, leek te sluik en te praktisch en haar geschoren knieën en dijen waren te bloot in die kamer waar alles zo zorgvuldig bedekt was. Als mevrouw Sen de schaal in haar richting hield, wilde ze geen enkele keer een biscuitje en ze stelde lange reeksen vragen, waarop ze de antwoorden op een stenoblok noteerde. Zouden er nog meer kinderen in het appartement zijn? Had mevrouw Sen wel eens eerder op kinderen gepast? Hoe lang woonde ze al in Amerika? Maar het baarde haar vooral zorgen dat mevrouw Sen geen auto kon rijden. Eliots moeder werkte op een kantoor ergens vijfenzeventig kilometer naar het noorden en zijn vader woonde, de laatste keer dat ze van hem gehoord had, drieduizend kilometer naar het westen.
‘Ik geef haar les, zo zit het eigenlijk,’ zei meneer Sen, en hij zette zijn mok op de salontafel. Het was voor het eerst dat hij iets zei. ‘Naar mijn inschatting heeft mevrouw Sen in december een rijbewijs.’
‘Is dat zo?’ Eliots moeder noteerde de informatie op haar stenoblok.
‘Ja, ik leer het,’ zei mevrouw Sen. ‘Maar ik ben een langzame leerlinge. Thuis, weet u, hebben we een koetsier.’
‘Een chauffeur, bedoelt u?’
Mevrouw Sen wierp een blik op meneer Sen, die knikte.
Eliots moeder knikte ook en keek de kamer rond. ‘En dat is allemaal… in India?’
‘Ja,’ antwoordde mevrouw Sen. Het noemen van het woord leek iets in haar los te maken. Ze streek de rand van haar sari glad waar deze schuin omhoog over haar borst liep. Ook zij keek de kamer rond, alsof ze in de lampenkappen, in de theepot, in de verstarde schaduwen op de vloerbedekking iets zag wat de rest van hen niet zien kon. ‘Alles is daar.’

Bij mevrouw Sen [fragment]
uit: Een tijdelijk ongemak - Jhumpa Lahiri

____

Labels: , , , , , , , ,

donderdag 19 november 2009

Waiting for the moment of arrival

I put the phone down. Somewhere in my mind a tumbler had clicked. Israel! Of course, at last everything made sense. The twelve young men, now occupying positions of power, controlling everything from the U.S., Russian and Chinese governments to satellite policy, international finance, the UN, big science, the youth and protest movement. There was even a Judas, Giuliano Caldare of the Cosa Nostra. It was obvious now. I had always assumed that the twelve were working for some mysterious organization, but in fact they were the organization. They were waiting for the moment of arrival. When the child came, he would be prepared for in the right way, watched over by the Comsat relays, hot lines open, the armies of the world immobilized. This time there would be no mistakes.

The Comsat angels [fragment]
uit: Low-flying aircraft and other stories - J.G. Ballard

____

Labels: , , , , , , , , ,

woensdag 18 november 2009

Kunt u ons misschien de gaten in uw CV verklaren?

De personeelsmedewerker die mij begroette was een puisterige eikel in een snel pak, met zoveel roos op zijn schouders dat het godverdomme wel een partij cocaïne leek. Ik had zó een opgerold wijfje in die lul zijn kippennek willen steken. Dat dweilerige porem met z’n etterpuisten verpest grondig het image dat die fluimerige natte scheet wil uitdragen. Zelfs in mijn zwaarste junktijd heb ik er niet zo erg uitgezien. Die kleine kutkrabber mag vandaag waarschijnlijk mee met zijn baas. Dat is die dikke, moeilijk kijkende rattekloot in het midden. Rechts van hem zit een manwijf met een koude glimlach om haar bek, in een streng mantelpak en met een laag plamuur op haar gezicht; net zo eng als die wijven in een catalogus.
Dit is wel erg zwaar geschut voor een baantje als portier, jezuskolere!
Hun openingszet is voorspelbaar. Die vette kloot kijkt me warm aan en zegt: ‘Ik zie op uw sollicitatieformulier dat u George Heriots hebt bezocht.’
‘Correct… ach ja, schooltijd, gouden tijd. Wat lijkt dat al weer lang geleden.’
Ik mag dan gelogen hebben op dat formulier, maar niet tijdens het gesprek. Ik heb nooit op George Heriots gezeten: toen ik leerlingmeubelmaker was bij Gillsland’s heb ik er wel ooit mee te maken gehad.
‘Houdt die ouwe Fotheringham nog steeds de wacht?’
Kut. Keuze uit twee mogelijkheden; één, ja, twee: hij is met pensioen. Nee, te riskant. Beetje vaag blijven.
‘Gôh, nu gaat u wel erg ver terug…’ lach ik. Die vetlul lijkt daar genoegen mee te nemen. Ik maak me zorgen. Ik heb het gevoel dat het gesprek al achter de rug is en dat die eikels me werkelijk die baan gaan aanbieden. De volgende vragen worden allemaal op prettige toon gesteld en zijn allerminst bedreigend. Mijn stelling is naar de kloten. Ze gunnen nog eerder een leerling van de MEAO met ernstige hersenbeschadiging een baan als nucleair ingenieur dan dat ze een carrièrefreak-met-doctorsbul aannemen als schoonmaker in een abattoir. Ik moet ingrijpen. Dit wordt rampzalig. Die vetlel beschouwt met als een ex-George-Heriot-leerling die aan lagerwal is geraakt en hij wil me helpen. Een geweldige misrekening, Renton, stomme lul die je daar staat.
Maar gelukkig is daar Puistelul. Dat kun je veronderstellen aangezien de rest van zijn lijf geheel is bedekt met levende pukkels. Hij begint zenuwachtig een vraag te formuleren: ‘Uhm… uhm… meneer Renton… uhm… kunt u, uhm, ons misschien de gaten in uw CV verklaren, uhm…’
Kun jij de gaten in je zinnen verklaren, kleine kutlul.
‘Ja, dat kan ik. Ik heb al geruime tijd een heroïneprobleem. Ik probeer voortdurend daarmee in het reine te komen, maar dat gaat ten koste van mijn werktijd. Ik stel er prijs op om open kaart te spelen en u dit, als mijn mogelijk toekomstig werkgever, te melden.’
Een meesterzet. Ze schuiven zenuwachtig heen en weer op hun stoel.
‘Tja, eh, bedankt dat u zo openhartig bent, meneer Renton… eh, er zijn natuurlijk nog andere kandidaten… dus nogmaals bedankt en u hoort nog van ons.’
Fantastisch. Die vetkwab omringt zich met een muur van ijselijke afstandelijkheid. Ze kunnen niet beweren dat ik het niet geprobeerd heb…

uit: Trainspotting - Irvine Welsh


____

Labels: , , , , , ,

dinsdag 17 november 2009

Paladijnen keuren de vouw in hun broek

Driewerf Hoera! voor de maarschalk van het derde woord,
het ontdekte kontinent, de nieuwe meridiaan.

Dit Bevriend Staatshoofd,
verdoken in ijlingse limousine,

maar het gelijk aan zijn winnende hand,
bepoederd als de memoires van een blauwe engel,

deze gemaquilleerde held uit Kroatisch struweel,
sandwichman voor een eigenissig oordeel,

wat verenigt en hecht, bezegelt een pakt?
Zo’n onthaal: groteske, sjablone, scherts.

Amechtig de herauten voor een nieuwe tijd.
Macht tart alle verbeelding op de wuivende tribunes:

anjers, meisjeslinten, pioniers, herenleed in blauw tergal.
paladijnen keuren de vouw in hun broek,

en de hijgende Hermes
toont ampel de spataderen van de geschiedenis.

Staat van beleg, X (Josip Broz)
uit: Staat van beleg : een voorspel - Jan Vanriet


____

Labels: , , , , , ,

maandag 16 november 2009

Een iets minder sterfelijk materiaal dan hijzelf

En daar zitten ze de volgende dag tegenover elkaar in het atelier in het gele huis waarvan geen enkele levende ziel ons meer kan zeggen hoe het eruitzag; en ook de muren kunnen er niets meer over zeggen: in 1944 zijn ze met de grond gelijk gemaakt door Amerikaanse bommen die uit het zuivere kobalt vielen. Maar door de schilderijen weten we dat de muren gewitkalkt waren, of liever gezegd Van Gogh maakte ze van willekeurig welke kleur, en dat de plavuizen onder voeten rood waren, want die maakte hij rood. Daar, in dat bouwvallige huisje dat tegenwoordig niet meer te zien is en even bekend is als de wolkenkrabbers van Manhattan, werd Roulin dus een schilderij, een iets minder sterfelijk materiaal dan hijzelf; of het was in zijn eigen huis, dat tegenwoordig onbekend is en zich verbergt en heeft teruggetrokken tussen de muren, de enige onuitwisbare herinnering, maar waarvan we weten dat het tussen de twee spoorbruggen lag en daar dus nog steeds ligt als het niet eveneens door de Amerikaanse meteoren verwoest is; in dit tussen de twee spoorbruggen gelegen en dus trillende, proletarische, beroete huis of in het gele huis met uitzicht op oleanders en platanen, het huis waarin hij hoop koesterde zoals hij sinds Zundert geen hoop meer gekoesterd had, dat hij bij zichzelf de kunstenaarscoöperatie noemde, de nieuwe Salon des Indépendants, dat hij veegde en wit kalkte, waarin hij de hele zomer druk bezig was kistjes en meubels te veranderen, schilderijen van zonnebloemen en chinoiseriën aan de muren te hangen om het er leuk uit te laten zien, op het nachtkastje een waterkannetje en aan de muur een handdoek om het er netjes uit te laten zien, en waarin hij, toen hij zijn ogen een keer over deze werkplaats liet dwalen terwijl hij uit het vuistje zijn twaalfuurtje zat te eten, huilde van vreugde, waarin hij met zijn armen ten hemel geheven Gauguin ontving, met Gauguin werkte, hij en Gauguin elkaar de huid vol scholden, waarin hij uiteindelijk in de nacht zonde krekels of Messias van 24 december dronken in zijn eentje thuiskwam, zoals bekend zijn oor afsneed en ermee deed wat bekend is, ten slotte in scherven van de waterkan viel en slapend zoals buiten de oleanders zonder bloemen en de zwarte platanen sliepen, vergetelheid vond, in een van die twee huizen schilderde hij één voor één alle leden van dat vrome, edelmoedige, lijdende gezin, proletarisch als Christus; dat vrome gezin waar hij jam en wijn van kreeg, die kleine zondagse vreugden die je in leven houden, dat hem met open armen ontving, misschien om de buren te pesten maar waarschijnlijk eerder omdat ze hem graag mochten; en in ruil daarvoor verschenen ze allemaal op kleine doeken van vijftien die ver van Arles werden verspreid in de wereldsteden en de levenden ten voorbeeld werden gesteld, niet vanwege de jam die ze hem gegeven hadden, maar vanwege zijn schilderkunst.

uit: Joseph Roulin, de postbode van Van Gogh - Pierre Michon

____

Labels: , , , , ,

zondag 15 november 2009

De wetenschap dat spoedig voor mij een nacht zou beginnen

‘Ik houd van je, Ada. Mag ik er met je vader over spreken?’
Ze keek me verbaasd en verschrikt aan. Het leek wel of ze zou gaan gillen, net als haar kleine zusje. Ik wist dat haar kalme ogen en haar gezichtje met de volmaakt regelmatige lijnen geen liefde kenden, maar zo koud en afwijzend als nu had ik ze nog nooit gezien. Ze begon iets te zeggen dat als een soort inleiding klonk. Maar ik wilde zekerheid: een ja of een nee! Misschien voelde ik me al beledigd door haar schijnbare aarzeling. Om haar te dwingen ogenblikkelijk een beslissing te nemen betwistte ik haar het recht rustig over haar antwoord na te denken.
‘Maar heb je dan helemaal niets opgemerkt? Je kunt toch onmogelijk hebben gedacht dat ik een oogje had op Augusta!’
Ik wilde mijn woorden klem bijzetten, maar in mijn geagiteerdheid legde ik de nadruk op de verkeerde plaats, zodat de naam van de arme Augusta werd uitgesproken met een geringschattend accent in woord en gebaar.
Hiermee had ik Ada uit de verlegenheid gered. Ze deed of ze alleen de belediging aan haar zusters adres had gehoord.
‘Denkt u dan zo ver boven Augusta verheven te zijn? Ik geloof niet eens dat zij bereid zou zijn uw vrouw te worden!’
Toen pas schoot het haar te binnen dat ze me nog een antwoord schuldig was:
‘Wat mij betreft… het verbaast me dat u zich zoiets in uw hoofd hebt kunnen halen.’
Deze snijdende zin was bedoeld om Augusta te wreken. In mijn grote verwarring dacht ik dat ook de betekenis van haar woorden zo moest worden geïnterpreteerd; als ze me een klap in mijn gezicht had gegeven zou ik me waarschijnlijk nog de reden ervan hebben afgevraagd. Daarom drong ik aan:
‘Denk er nog eens over na, Ada. Ik ben geen kwaad mens. Ik ben rijk… Een beetje excentriek misschien, maar dat is gemakkelijk te verhelpen.’
Ada werd nu ook vriendelijker, maar ze sprak opnieuw over Augusta. ‘Denk er zelf ook nog eens over na, Zeno: Augusta is een lief meisje en werkelijk de geschikte vrouw voor je. Ik kan niet voor haar spreken, maar ik geloof…’
Het was een verrukkelijke gewaarwording me voor de eerste maal door Ada bij mijn voornaam te horen aanspreken. Was dat geen uitnodiging om nog openhartiger te zijn? Misschien was ze voor mij verloren of zou ze er in ieder geval niet dadelijk in toestemmen mijn vrouw te worden; maar intussen moest ik voorkomen dat ze zich nog verder met Guido compromitteerde, ik moest haar de ogen openen voor de ware aard van deze jongeman. Ditmaal was ik echter voorzichtiger en begon met te zeggen dat ik voor Augusta alle respect en waardering had, maar dat ik absoluut niet met haar wilde trouwen. Om alle misverstand te voorkomen herhaalde ik het tot tweemaal toe: ik wilde niet met haar trouwen. Op die manier hoopte ik Ada te overtuigen dat ik Augusta niet had willen beledigen.
‘Een goed, lief, aardig meisje, Augusta, maar niet mijn type.’
Toen wilde ik opeens de zaak forceren, want er klonken stemmen in de gang en we konden elk ogenblik gestoord worden.
‘Ada! Die man is niet geschikt voor je. Het is een stommeling! Heb je niet gemerkt hoe hij van de kook was door de antwoorden van het tafeltje? Heb je zijn wandelstok gezien? Hij speelt goed viool, maar de grootste ezels kunnen soms goed spelen. Elk woord dat hij zegt verraadt zijn domheid…’
Hier viel ze me in de rede, na me eerst te hebben aangehoord met een gezicht of de betekenis van mijn woorden niet tot haar wilde doordringen. Ze sprong op, nog steeds met de viool en de strijkstok in haar handen, en beet me krenkende woorden toe. Ik heb mijn best gedaan ze te vergeten en dat is me gelukt. Alleen herinner ik me nog dat ze begon met me driftig te vragen hoe ik er bij kwam zo over hem en haar te spreken. Ik zette grote ogen op van verbazing, want ik meende uitsluitend over hem te hebben gesproken. Al die boze woorden die ze me toevoegde heb ik vergeten, maar niet haar mooie, edele, rechtschapen gezichtje dat rood zag van kwaadheid en haast uit steen gehouwen leek, zo scherp deed de verontwaardiging haar trekken uitkomen. Dat maakte een onuitwisbare indruk en als ik aan mijn jeugd en aan die liefde terugdenk zie ik altijd weer dat marmeren gezichtje van Ada voor me op het ogenblik waarop ze me definitief uit haar leven bande.
Het hele groepje kwam weer binnen met in hun midden mevrouw Malfenti, die de nog steeds huilende Anna in haar armen droeg. Niemand nam notitie van mij of van Ada en ik glipte zonder iemand te groeten de salon uit. In de gang pakte ik mijn hoed. Vreemd dat er niemand kwam om me te weerhouden! Toen weerhield ik mezelf maar, bedenkend dat ik de regels van de wellevendheid in acht moest nemen en dus voordat ik wegging iedereen netjes goedendag behoorde te zeggen. Wat me in werkelijkheid tegenhield was ongetwijfeld de wetenschap dat spoedig voor mij een nacht zou beginnen nog ondraaglijker dan de vijf voorgaande nachten. Nu ik eindelijk zekerheid had voelde ik een andere behoefte, namelijk aan rust en aan vrede met iedereen. Als het me gelukken zou alle bitterheid uit mijn verhouding tot Ada en de anderen weg te nemen, dan zou ik beslist beter kunnen slapen. Waartoe ook die bitterheid? Ik kon immers niet eens boos zijn op Guido, die er stellig geen enkele schuld aan had – al was het evenmin zijn eigen verdienste – dat Ada hem prefereerde.
Ada was de enige die mijn wandeling naar de gang had opgemerkt en toe ze me zag terugkomen wierp ze me een onderzoekende blik toe. Vreesde ze een scène? Ik wilde haar geruststellen. Ik liep langs haar stoel en fluisterde:
‘Mijn excuses als ik je heb beledigd!’
Opgelucht nam ze mijn hand en drukte die. Het was een grote troost. Ik sloot een ogenblik mijn ogen om met mezelf alleen te zijn en de vrede in mijn ziel te voelen neerdalen.

uit: Bekentenissen van Zeno - Italo Svevo

____

Labels: , , , , , , ,

zaterdag 14 november 2009

Een halffabrikaat

Men heeft ‘rede’ van ‘verstand’ onderscheiden. ‘Verstand’ treffen we ook in het dierenrijk aan. De chimpansee die door ervaring leert met een stok naar een banaan te vissen, geeft blijk van verstandig gedrag. Verstand is werkzaam waar werktuigen worden vervaardigd. Dierlijk verstand kan al overweg met de middelen, maar de doelen worden daarbij op voorhand door de instincten aangereikt. In tegenstelling tot het verstand kan de rede over doelen beschikken. Dat veronderstelt een verhouding tot zichzelf die zelfdistantie mogelijk maakt en bijgevolg de relatie tussen doel en middel kan overzien. Rede komt in het spel als het weten de wil niet alleen begeleidt, maar hem voortbrengt; kortom: als men in staat is zichzelf doelen te stellen voor de langere termijn, waarvoor eerst de wil gemobiliseerd moet worden. Daarvoor moet men buiten zichzelf kunnen treden, boven zichzelf kunnen uitreiken. De carrière van de mens als redelijk wezen begint dus met de stap van het buiten zichzelf treden, van het transcenderen.

De mens is, om met Nietzsche te spreken, het ‘niet vastgestelde dier’. Een halffabrikaat: een wezen dat niet kant en klaar is, maar dat zichzelf eerst nog moet vervolledigen en omdat te kunnen de opmerkelijke vaardigheid bezit om zijn natuurlijke gebreken met handigheid en intelligentie te compenseren. Een gebrekkig wezen – dat betekent: de instincten waarmee de mens is toegerust schieten – vergeleken met die van de rest van het dierenrijk – tekort. De mens kan niet op zijn instincten vertrouwen, hij heeft te veel opties. Er is te weinig drang en te veel vrijheid. Waar de natuur hem in de steek laat, moet hij, om te kunnen overleven, zijn evolutie in eigen hand nemen. Je kunt het ook zo formuleren: de mens is van nature op kunstmatigheid, dus op cultuur en civilisatie aangewezen. Als het niet vastgestelde dier, vormt hij – middels cultuur – zijn natuur, de culturele ‘tweede natuur’. In zijn fantasie was hij altijd al een stuk verder en heeft hij op zijn tweede natuur imaginair geanticipeerd en ermee geoefend. Zo nam hij bijvoorbeeld in de religie, in de metafysica en in sprookjes zijn eerste vlieglessen. Sinds we echt kunnen vliegen, boeten religie, metafysica en sprookjes aan betekenis in. In zijn eerste natuur is de mens een door angst bepaald wezen. Overal loeren gevaren, en omdat de fantasie bij hem sterker is ontwikkeld dan de instincten, ziet hij in de bedreigende buitenwereld alleen de meest fantastische oorzakelijkheden. Om niet door zijn eigen fantasieën overweldigd te worden, moest de mens het kennen uitvinden. Zo leerde hij bijvoorbeeld inzien dat meteorologische omstandigheden de bliksem veroorzaken. De bliksem was daardoor niet langer een godsgericht dat bij de mens insloeg in het geweten. In plaats van te bidden maakte men liever bliksemafleiders. De tweede natuur, die we voor onszelf creëren, is naast vele andere dingen zo’n bliksemafleiderscultuur. Zij betekent verlichting, inperking van de angst, vermindering van de risico’s. Met behulp van techniek verschaffen we onszelf protheses, pantsers, schalen, schuilplaatsen.

In de Griekse tragedie en in de mythe is een probleem in het oog gevat en begrepen, namelijk dat er inzake het weten en daarmee in de tweede natuur, dus de cultuur, te veel van het goede kan zijn, dat men door techniek en weten te veel van zichzelf kan vergen. Je kunt het probleem ook zo formuleren: hoe ver kan de mens zich met zijn tweede natuur – dus de culturele – van de eerste natuur verwijderen? Kan zijn tweede natuur niet zozeer in strijd raken met zijn eerste natuur dat het in zelfvernietiging uitmondt?

Eerste natuur, tweede natuur [fragmenten]
uit: Hoeveel globalisering verdraagt een mens? - Rüdiger Safranski

____

Labels: , , , , , , , , ,

vrijdag 13 november 2009

Heb jij ooit gemasticeerd?

Ze reden op weg naar de club in zuidelijke richting over South Main Street. Caroline rookte een sigaret en hield Julians hand vast. Hij legde haar hand opzij om de ‘shave-and-haircut’ op de claxon te doen en gaf daarmee een signaal aan de Cadillac die vlak voor hen reed.
‘Wie is dat?’ zei Caroline.
‘Een goede aspirant-klant,’ zei Julian. ‘De jonge Al Grecco.’
‘Wie is dat? Ik ken hem van naam. Wie is dat?’
‘Hij is een soort jabroer van Ed Charney,’ zei Julian. De coupé voor hen sloeg linksaf naar Lincoln Street Bridge en het was duidelijk dat Al Grecco het signaal niet hoorde. Hij draaide zijn hoofd niet om en antwoordde niet met ‘bay-rum’ op de claxon van de coupé.
‘O, hij is die vent die voor de champagne naar Philadelphia is gegaan. Heeft hij die opgehaald?’
‘Als Mrs. Charney champagne wil, dan wordt die gehaald, wie ook de opdracht heeft gekregen.’
‘O dat geloof ik niet. Waarom zijn de mensen zo bang voor hem?’
‘Ik ben bang voor hem,’ zei Julian.
‘Dat ben je niet. Jij bent voor niemand bang. Mijn grote sterke man. Mijn maatje.’
‘Je bent gek, meid,’ zei hij.
‘Noem me geen meid en zeg niet gek.’
‘Masticatie,’ zei Julian. ‘God, heb je ooit zo iemand als moeder gehoord? Hoorde je hoe ze de ouwe heer vertelde dat hij niet masticatie moest zeggen? Je weet dat ze geen flauw idee heeft waarom ze niet van dat woord houdt.’
‘Ik wed van wel. Zo stom zijn vrouwen niet.’
‘Ik zeg je dat ze niet de flauwste notie heeft waarom ze niet van dat woord houdt. Ergens in haar achterhoofd heeft de klank ervan een onsmakelijke bijbetekenis, maar wat het is weet ze niet precies. Dus denkt ze dat ze de voorkeur geeft aan eenvoudige taal. Heb jij ooit gemasticeerd?’
‘Dat gaat jou niet aan.’
‘Heb je het wel eens gedaan?’
‘Ik word hier een beetje moe van,’ zei Caroline.
‘Ik ook,’ zei Julian. Een poosje reden ze verder, en toen zei hij: ‘Wanneer krijgen wij een baby?’
‘Ik weet het niet. Wanneer zullen we?’ zei ze.
‘Nee, serieus, wannéér zullen we?’
‘Je weet het. Binnenkort zijn de vijf jaar voorbij.’
‘Het Vijfjarenplan,’ zei hij langzaam. ‘Misschien heb je wel gelijk.’
‘Ik weet dat ik gelijk heb. Kijk maar naar die kinderen, Jeanie en Chuck. Nog niet eens twee jaar getrouwd, nauwelijks langer dan een jaar, en Jeanie moet zich misschien wel een kunstgebit laten aanmeten. Moet je horen, een kunstgebit – kun je je haar tanden nog herinneren? Ze had de mooiste sterke witte tanden die ik ooit heb gezien –’
‘Behalve die van jou.’
‘Goed, behalve die van mij. Maar de hare waren prachtig en precies goed. Tamelijk klein en mooi en echt stralend wit. De mijne zijn groter en ze stralen niet.’
‘Ik word erdoor verblind,’ zei hij. Hij deed de koplampen uit. ‘We gaan jouw stralende tanden als koplampen gebruiken.’
‘Doe de lampen aan, malloot,’ zei ze. ‘Ongelofelijk, het is vreselijk. Ze is nog maar eenentwintig. Nog maar eenentwintig en ze is al helemaal een getrouwde vrouw. Een getrouwde vrouw met een kind. En –’
‘En een echtgenoot. En wat voor een echtgenoot.’

uit: Afspraak in Samarra - John O'Hara

____

Labels: , , , , , , ,

donderdag 12 november 2009

Le problème vient des crétins suiveurs

Comme toujours avec les génies qui ont inventé leur langue au XXe siècle, le problème vient des crétins suiveurs qu’ils ont inspirés. Par la faute de Proust, un paquet d’auteurs français se croient obligés de faire de longues phrases sur leur maman pour sembler intelligents; à cause de Joyce, n’importe quel imposteur se croit poète quand il est juste illisible; et si une bonne partie de la littérature américaine est phagocytée de gros romans du «Sud profond» («Deep South») avec viols, incestes, meurtres et fermiers alcooliques à tous les étages, c’est la faute à Faulkner, dont Nabokov raillait les «chroniques de cultivateurs de maïs». Pauvre Faulkner: les soirées élégantes en smoking étant déjà prises par Fitzgerald et les phrases courtes par Hemingway, il a choisi ce qui restait, entre deux whiskies et trois scènarios invendus à Hollywood. Il en vaut la peine: entraînez-vous tous les matins à prononcer «Yoknapatawpha» (le nom de son conté imaginaire); c’est plus chic que «Pétaouchnok»

Le bruit et la fureur [fragment]
uit: Dernier inventaire avant liquidation - Frédéric Beigbeder

____

Labels: , , , , , , , ,

woensdag 11 november 2009

Perfectly harmless in his passivity

Nothing so aggravates an earnest person as a passive resistance. If the individual so resisted be of a not inhumane temper, and the resisting one perfectly harmless in his passivity, then, in the better moods of the former, he will endeavor charitable to construe to his imagination what proves impossible to be solved by his judgment. Even so, for the most part, I regarded Bartleby and his ways. Poor fellow! thought I, he means no mischief; it is plain he intends no insolence; his aspect sufficiently evinces that his eccentricities are involuntary. He is useful to me. I can get along with him. If I turn him away, the chances are he will fall in with some less indulgent employer, and then he will be rudely treated, and perhaps driven forth miserably to starve. Yes. Here I can cheaply purchase a delicious self-approval. To befriend Bartleby, to humor him in his strange wilfulness, will cost me little or nothing, while I lay up in my soul what will eventually prove a sweet morsel for my conscience. Buth this mood was not invariable with me. The passiveness of Bartleby sometimes irritated me. I felt strangely goaded on to encounter him in new opposition – to ellicit some angry spark from him answerable to my own.

uit: Bartleby the scrivener - Herman Melville

____

Labels: , , , , , , ,

dinsdag 10 november 2009

Geen vrije vrouw zegt: ik ben vrij.

Dat er geen vaart in zit. Je staart over het water.
Wie koos dit bed, wie liet zich dekken door de kou.
Gesprekken stokken. Waar spoelen ze aan. Geen visser
vangt een vis, geen vogel vliegt. Geen vrije vrouw zegt:
ik ben vrij. Heeft de dame mout op het dak uitgespreid,
dan is er geen haan die daar naar kraait. Geen tortelduif
met opgeheven hoofd. Geen man die de rivier oversteekt
roept iets. Geen dichter zegt dat er vaart in zit. Geruchten
zwellen, woorden schorten. Water stroomt altijd eenzelfde
kant op. Soms noemt men dat gelatenheid, iemand zegt:
___geluk.

Vaart
uit: Het onverborgene : gedichten - Lut de Block


____

Labels: , , , , , ,

zondag 8 november 2009

In termen die daar eigenlijk niet voor geschikt zijn

- Ik heb laatst een stuk van Shakespeare gezien – de titel wil me op het moment niet te binnen schieten – waarin de ene broer de andere naar het leven staat. Die moordenaar rent rond, op zoek naar zijn broer, met het vaste voornemen hem te vermoorden. Maar op een bepaald moment komt die moordenaar in een bos een wijze oude man tegen, en die wijze oude man deelt hem mede dat het heel verkeerd is je broer te vermoorden. Je moet juist heel aardig zijn tegen je broer, zegt die oude wijze man. En wat doet die moordenaar? Hij is diep getroffen door de wijze woorden van die wijze oude man en laat het plan om zijn broer te vermoorden varen. Hij verzoent zich met die broer. Doek.
- En zoiets kan niet bestaan, vind jij.
- Er gebeuren natuurlijk de gekste dingen in werkelijkheid. Maar ik geloof toch voorlopig niet dat er in enig handboek der psychologie een geval als dit beschreven staat. Toch wordt Shakespeare door iedereen een groot psycholoog genoemd. Kijk, het komt allemaal omdat het zo moeilijk is om je waardering van iets moois anders onder woorden te brengen dan door te roepen: o wat mooi! De mens is geneigd zijn waardering voor iets moois uit te drukken in termen die daar eigenlijk niet voor geschikt zijn. Hij is geneigd als hij iets mooi vindt – als dat iets tenminste door mensenhanden gemaakt is – om dan te zeggen dat het zo mooi is omdat het zo in overeenstemming is met de werkelijkheid.
- Het wonderbaarlijke is eigenlijk, dat ze dat niet zeggen bij mooie dingen in de natuur. De natuur maakt laat ons zeggen een mooie vrouw. De mensen kijken naar die vrouw en vinden die vrouw mooi. Het komt niet in ze op om te zeggen: hoe geweldig geeft deze vrouw onze tijd weer. Of: hoe meesterlijk heeft de schepper haar uiterlijk in overeenstemming gebracht met haar karakter. Of: hoe voortreffelijk komt in deze vrouw de complexiteit van ons tijdsgewricht tot uitdrukking. Maar ze hoeven maar een geschilderde of een beschreven vrouw te zien of ze beginnen die kreten te slaken. Waarom ook dan niet alleen maar gezegd: jezus, wat een mooi schilderij?

Over slechte invloed [fragment]
uit: De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen - Karel van het Reve

____

Labels: , , , , , , , ,

vrijdag 6 november 2009

Ihr Garten und Gut grenzt grade an Gott

Ich fürchte mich so vor der Menschen Wort.
Sie sprechen alles so deutlich aus:
Und dieses heißt Hund und jenes heißt Haus,
und hier ist Beginn, und das Ende ist dort.

Mich bangt auch ihr Sinn, ihr Spiel mit dem Spott,
sie wissen alles, was wird und war;
kein Berg ist ihnen mehr wunderbar;
ihr Garten und Gut grenzt grade an Gott.

Ich will immer warnen und wehren: Bleibt fern.
Die Dinge singen hör ich so gern.
Ihr rührt sie an: sie sind starr und stumm.
Ihr bringt mir alle die Dinge um.


Wat me bij mensen bang maakt is hun woord.
Ze speken alles zo verstaanbaar uit:
kijk, dit is het begin, dat het besluit.
Hier heb je ‘hond’, daar heb je ‘huis’ gehoord.

Ik vrees hun aard, hun spel met spot,
ze weten alles, hoe het was, zal zijn;
geen berg is in hun ogen een geheim;
hun tuin of goed grenst vlak aan God.

In mijn verweer vermaan ik dan: keer om!
Het lied der dingen hoor ik graag.
Raak jij ze aan, dan zijn ze stom.
Ja, alle dingen breng jij om.


(zonder titel) - Rainer Maria Rilke
uit: De zevensprong : 7 Duitstalige dichters van de 20ste eeuw - diversen


____

Labels: , , , , , , , , , , ,

donderdag 5 november 2009

He steered his own course, regardless of what the morons who supported him believed

NOVEMBER 29, 1939.

Reading what is printed about myself, I am made to realize constantly how little a man makes himself understood by his writings. People are always assuming that I am moved by motives that are completely foreign to me. In the first days of the American Mercury, for example, it was generally assumed that I had some aspiration to lead the so-called opinion of college students. Nothing could have been further from my thoughts. I have, in fact, almost no interest in the ideas of college students. They seem to me to be simply immature men. They are always following fresh messiahs. That I served for a short while as one of those messiahs was not only surprising to me, but extremely offensive. I received hundreds of invitations to address college audiences, but refused all of them until it came to be generally understood that the boys were following other leaders; then I accepted a few.
It has also been assumed on frequent occasions that I have some deep-lying reformatory purpose in me. That is completely nonsensical. It always distresses me to hear of a man changing his opinions, so I never seek conversions. My belief is that every really rational man preserves his major opinions unchanged from his youth onward. When he vacillates it is simply a sign that he is stupid. My one purpose in writing I have explained over and over again: it is simply to provide a kind of katharsis for my own thoughts. They worry me until they are set forth in words. This may be a kind of insanity, but at all events it is free of moral purpose. I am never much interested in the effects of what I write. It may seem incredible in an old book reviewer, but it is a fact that I seldom read with any attention the reviews of my own books. Two times out of three I know something about the reviewer, and in very few cases have I any respect for his judgments. Thus his praise, if he praises me, is subtly embarrassing, and his denunciation, if he denounces, leaves me unmoved. I can’t recall any review that ever influenced me in the slightest. I live in a sort of vacuum, and I suspect that most other writers do, too. It is hard to imagine one of the great ones paying any serious attention to contemporary opinion. Certainly there is no sign that Shakespeare did. He may have heeded now and then the practical needs of the London stage of his day, but in the realm of ideas he steered his own course, regardless of what the morons who supported him believed or thought they believed.

uit: The diary of H.L. Mencken - H.L. Mencken


____

Labels: , , , , , , ,