Drieduizend kilometer naar het westen
Ze was een jaar of dertig. Ze had een spleetje tussen haar tanden en vervaagde pokputjes op haar kin, maar haar ogen waren prachtig, met dikke geprononceerde wenkbrauwen en glinsterende schaduwbogen die de natuurlijke breedte van de oogleden voorbijstreefden. Ze droeg een glanzende witte sari met oranje kringels, geschikter voor een avondontvangst dan voor die rustige, wat miezerige namiddag in augustus. Haar lippen waren bedekt met een laagje complementaire koraalrode glos, en een beetje van de kleur was over de randen verdwaald.
Toch was het zijn moeder, met haar beige short met omslagen en haar touwschoenen aan, die uit de toon leek te vallen, had Eliot gedacht. Haar kortgeknipte haar, in een overeenkomstige tint als haar short, leek te sluik en te praktisch en haar geschoren knieën en dijen waren te bloot in die kamer waar alles zo zorgvuldig bedekt was. Als mevrouw Sen de schaal in haar richting hield, wilde ze geen enkele keer een biscuitje en ze stelde lange reeksen vragen, waarop ze de antwoorden op een stenoblok noteerde. Zouden er nog meer kinderen in het appartement zijn? Had mevrouw Sen wel eens eerder op kinderen gepast? Hoe lang woonde ze al in Amerika? Maar het baarde haar vooral zorgen dat mevrouw Sen geen auto kon rijden. Eliots moeder werkte op een kantoor ergens vijfenzeventig kilometer naar het noorden en zijn vader woonde, de laatste keer dat ze van hem gehoord had, drieduizend kilometer naar het westen.
‘Ik geef haar les, zo zit het eigenlijk,’ zei meneer Sen, en hij zette zijn mok op de salontafel. Het was voor het eerst dat hij iets zei. ‘Naar mijn inschatting heeft mevrouw Sen in december een rijbewijs.’
‘Is dat zo?’ Eliots moeder noteerde de informatie op haar stenoblok.
‘Ja, ik leer het,’ zei mevrouw Sen. ‘Maar ik ben een langzame leerlinge. Thuis, weet u, hebben we een koetsier.’
‘Een chauffeur, bedoelt u?’
Mevrouw Sen wierp een blik op meneer Sen, die knikte.
Eliots moeder knikte ook en keek de kamer rond. ‘En dat is allemaal… in India?’
‘Ja,’ antwoordde mevrouw Sen. Het noemen van het woord leek iets in haar los te maken. Ze streek de rand van haar sari glad waar deze schuin omhoog over haar borst liep. Ook zij keek de kamer rond, alsof ze in de lampenkappen, in de theepot, in de verstarde schaduwen op de vloerbedekking iets zag wat de rest van hen niet zien kon. ‘Alles is daar.’
Labels: 1999, aanraders, aanraders 2009, Amerikaanse letterkunde, gelezen in 2009, Indiase letterkunde, schrijfsters, uitgeverij Meulenhoff, verhalen














