Dat ze zich nauwelijks meer iets kan herinneren van die eerste rit vanaf de kade, komt misschien omdat ze te veel bezig was met haar verdwenen minnaar en omdat ze te veel bezig was met haar verdwenen minnaar en omdat er te veel nieuwe indrukken waren om te verwerken. Isaac zat stijfjes tegenover haar over zijn bril te turen, stil, openlijk nieuwsgierig, en Lucy keek uit het raam om zijn blik te ontwijken. Ze besefte meteen dat deze wereld meer pigment had: kleuren waren helderder, feller en sterker met hun voorwerpen verbonden. Na Australië had Lucy Engeland een vale, verbleekte natie gevonden, vol licht benepen en lijkbleke gezichten, maar India overtrof Australië met gemak. Andere landen waren slechts een slap aftreksel van dit kleurenpalet. Op straat waren riksja’s, handkarren en door paarden getrokken
tonga’s, maar ook voetgangers, handelaren, bedelaars, heilige mannen, winkelende mensen, ossen en scharen kinderen die schreeuwend naast hun rijtuig meeliepen. En alles had een opvallende kleur, alsof het voldeed aan de strenge eisen van een andere bestaansorde.
Het is net zoiets als seksuele hunkering, dacht Lucy, om de dingen altijd zo te willen zien, om intenser, gretiger, onrealistischer te willen zien. Om alles in een toestand van grandioze overdrijving te wensen.
Kijken betoverde haar. Wanneer besefte ze dat voor het eerst? Dat zelfs een lege straat een heel scala van licht bevatte. Dat de verrukkelijke zichbaarheid van de dingen haar ziel en zaligheid was.
uit:
Een zee van licht - Gail Jones

____