De driepootstoof geeft hoofdpijndampen af. Na het voeren van de vogel gaat hij naar zijn kamer, wikkelt een deken om zijn schouders en houdt zich met de luit bezigt. Hij speelt noot voor noot de liederen van Ozan na. De grammofoonplaten uit de voorkamer zijn grijsgedraaid, hij kent de nummers uit zijn hoofd. Hij laat Ozans oude hit ‘Onder De Schoonheden Van Side’ klinken in de holte van zijn slaapkamer. Die schoonheden heeft hij zich altijd voorgesteld met moeders ogen, met haar zwarte vlechten en lichtgroene blik, net als die van Aysel. Het gemak waarmee hij nu zijn weg over de snaren vindt, schrijft hij toe aan zijn lange vingers, niet aan een speciale gave. Hij oefent en zoekt, tot ver na middernacht, net zolang tot de polsslag van de muziek voelt als zijn eigen polsslag. Op de binnenplaats schijnt poollicht. De bergen ademen vorst naar zee.
uit: Ultramarijn - Henk van Woerden

____