Mijn voornemen om na de toneelopvoering ontslag te nemen – wat voor ellende en gebrek er na de korte militaire herhalingsoefening ook van zou komen – werd gesterkt door een klein conflict met de chef, met wie nog nooit iemand een conflict had gehad.
‘Je werktempo, je productie is veel te laag, beduidend lager dan die van de anderen.’
En dat ondanks mijn stille overuren.
‘En het schort je aan saamhorigheid met de collega’s.’
Collega’s, zo noemde hij zijn andere slaven altijd. Tegenover hen moest ik me collegiaal gedragen.
‘Het werk dat jij verricht, de formulieren die jij invult, dat is allemaal bestemd voor bepaalde statistieken.’
Dat geloofde ik niet, of liever, ik geloof dat nu niet meer. Maar wat deed het er ook toe.
‘Je werkt te langzaam want te nauwkeurig,’ zei de procuratiehouder. ‘De ene slordigheid heft statistisch gezien de andere op, jij als aspirant-econoom moet dat toch inzien.’
Ik hield vol: ‘Ook al willen anderen de waarheid geweld aandoen, mijn formulieren, mijn werkstukken moeten getrouw blijven aan de gegevens die, naar ik aanneem, zijn versterkt door de klanten. Die moeten we serieus nemen.’
Dat had vóór mij nooit iemand gedaan, iedereen was verheugd geweest dat hij zo nu en dan een steekje mocht laten vallen.
Eindeloze discussies over statistiek mondden uit in insinuaties uit mijn mond aangaande Greidanus’ leugentjes om bestwil ter wille van werk en persoonlijk leven. Door hem van hypocrisie te beschuldigen, hypocrisie die ongetwijfeld zijn ware aard was, zinspeelde ik op de wijze waarop dat mormel zo fantastisch door hém werd misleid, door deze man met zijn altijd vriendelijke grijns, zijn hoffelijkheid. Daarmee leek voor hem de maat vol. Hij liep rood aan. Toch ontsloeg hij me niet.
uit: Leven, Brand en Inbraak - Anton Haakman
Luister naar Anton Haakman over deze roman op de vpro.
____