‘Omdat ik hoop dat wij heel goede vrienden zullen worden.’
‘Wat een vreemde reden.’
John bleef een uur bij hen en keek de hele tijd gefascineerd toe.
‘Heeft u een kroon?’ vroeg hij. ‘Hoe heeft u Engels leren spreken? Waar is die grote ring van gemaakt? Was hij duur? Waarom hebben uw nagels die kleur? Kunt u paardrijden?’
Ze gaf antwoord op al zijn vragen, soms, vreemd genoeg, met één oog op Tony gericht. Ze haalde een kleine, zwaar geurende zakdoek te voorschijn en liet John het monogram zien. ‘Dat is mijn enige kroon… tegenwoordig,’ zei ze. Ze vertelde hem over de paarden die ze ooit had bezeten… glanzend zwart, met strak gespannen en gebogen nekken, schuim rondom hun zilveren bitten, waaiende pluimen op hun voorhoofden, zilveren gespen op het tuig, vuurrode zadelkleden. ‘Op de verjaardag van de Moulay….’
‘Wat is de Moulay?’
‘Een mooie en een heel slechte man,’ zei ze ernstig, ‘en op zijn verjaardag plachten al zijn ruiters zich te verzamelen in een kring op een groot plein, in hun mooiste kleren en met veel versierselen en juwelen, en met lange zwaarden in hun handen. De Moulay zat dan op een troon onder een groot, vuurrood baldakijn.’
‘Wat is een baldakijn?’
‘Een soort tent,’ zei ze op een wat scherpere toon, en toen, opnieuw met haar zachte stem: ‘En alle ruiters galoppeerden dan over de vlakte, in een grote stofwolk, wuivend met hun zwaarden, recht op de Moulay af. En dan hield iedereen zijn adem in, want ze dachten dat de ruiters zo over de Moulay heen zouden rijden, maar wanneer ze nog geen twee meter van hem vandaan waren, zo dichtbij als ik nu bij jou ben, in volle galop, trokken ze plotseling aan de teugels van hun paarden, zodat die op hun achterpoten gingen staan, en salueerden…’
‘O, maar dat mógen ze helemaal niet,’ zei John. ‘Dat heeft helemaal niets met ruiterkunst te maken. Dat zegt Ben.’
uit: Een handvol stof - Evelyn Waugh