dinsdag 3 oktober 2006

Commendo te omnipotenti

Buiten zinnen drukte ze hem de teugels in de hand, draaide op haar plaats overeind komend om haar as, wrong zich van de kapelaan los en mompelde met een nietsziende blik op de lange, voorbijrazende laan: ‘Hij slaat me dood, hij slaat me dood. Help!’ De schimmel bokte, vloog ervandoor met de kleine wagen, die van rechts naar links slingerde, tegen de stoeprand knalde, een boom schampte. Ze raasden tussen de bomenrijen door. Voor hen klonk gegil, naast hen. In de wagen bleven ze stil. Heel even, toen hij haar nog vasthield, draaide ze haar hoofd naar hem toe; in zijn gezicht was iets waardoor het arme wezen naar de hoefslag van de ruiter luisterde en er door haar heen schoot: ‘Wat wil hij van me, en wat wil hij van me?’ Er wervelde een grauwe lucht. De grauwe, langswaaiende lucht bedekte zijn mond en zijn ogen, hield zijn hoofd van voren en van achteren in evenwicht. De vrouw bewoog zich naast hem tussen het paard en de dissel voorover, naar de teugel graaiend; hij greep haar bij haar middel, pakte haar onder haar oksels vast. En terwijl hij met haar worstelde, de teugels in zijn linkerhand, en zij zijn mond openkrabde, zich van hem afduwde, zag hij in zijn hoofd helder het beeld van het edele, zwoegende ros voor zich, het edele dier dat redding bracht. Zijn lichaam kwam ver overeind om haar op de bank terug te smijten, de teugels aan te trekken. Maar in zijn armen trok een redeloze dwang: weg van Alice, weg van haar. De handen moesten het doen, de handen deden het. Voor zijn ogen zag hij op een wit doek nog het beeld van het wegstormende ros met de vrouw erop; en zijn lippen spraken het doodsgebed tegen de lucht boven de vallende vrouw, iedere lettergreep een bedwelmende, hersenpan vullende slok: ‘Commendo te omnipotenti, aspectus mitis atque festivus tibi appareat.’
Het lichaam van de kapelaan lag ademend, onder het bloed in een bouwkeet van pijpenleggers. Zijn armen hield hij stijf voor zich uit gestrekt, in de houding waarin hij Alice had laten vallen en vermorzelen. De luitenant drong door de omstanders heen en mepte met zijn rijzweep op de armen van de kapelaan in; de armen schoten weer terug. De bewusteloze man knipperde met zijn ogen, huiverde, voelde zich water waar men met twijgjes overheen strijkt.
De broeders brachten hem naar een door bossen omringd klooster op het land. Hij las geen zielenmissen, duldde niet dat anderen dat deden. De vrouw moest branden in de hel, dat had hij zich tot taak gesteld.

De kapelaan [fragment]
uit: De moord op een boterbloem en andere verhalen - Alfred Döblin

Het belang van Döblin (1878-1957) voor de 20ste-eeuwse literatuur valt nauwelijks te onderschatten: hij was de eerste Duitse schrijver die een grote epische verteltrant combineerde met een vervlochtenheid met het leven in de grootstad, en die aan de hand van expressieve uitdrukkingsmiddelen de implicaties van de technologische vooruitgang voor het mensdom beschreef. Döblin oefende hiermee een grote invloed uit op Günter Grass; men kan hem verhaaltechnisch wel als de Duitse James Joyce beschouwen, ook op het gebied van de impact die hij op de literatuur heeft nagelaten.