Het is een feit – en ik kan dat constateren als ik vanuit de gaanderij San Martín oploop – , dat de winterochtend donkerder wordt in plaats van lichter. De groenige wond die in het oosten een lijkwit licht afscheidde, het fossiele voortbestaan van een uitgedoofde zon, lijkt al enige tijd te zijn dichtgeslibd, zo volledig bedekt het uniforme rookgrijs, waarin de enige afwisseling bestaat uit een paar bollen met nog donkerder grijze randen, laag en statisch de complete hemel. Van het bleke chemische groen van verdunde chloor dat werd afgescheiden door de wond in het oosten, is een donker onderwatergroen in de lucht verspreid blijven hangen – om precies te zijn krijgen we de indruk van een gesloten wereld, waarin de ruimte en de dingen een soort intimiteit hebben gekregen en de bewegingen van het eigen lichaam, in een licht afnemende kou, iets dat op genade lijkt, wat mij te midden van zo veel rampen een maandenlang niet meer gekend, momentaan, onverklaarbaar geluksgevoel geeft, dat weliswaar maar enkele seconden standhoudt in mijn bewustzijn, maar zich door het hele lichaam voortplant en het samenhang en kracht schenkt.
Onder de met vlaggen versierde entree van hotel Iguazú, opent een zwarte portier de glazen deur voor mij, met een lichte buiging, misschien omdat hij probeert niet uit zijn wat krappe donkerbruine uniform te barsten.
uit:
Het onuitwisbare - Juan José Saer

____