dinsdag 17 oktober 2006

Ik noem het paalzitten

De paradox: zo allesoverheersend als hij is, ik zie mijn vader nauwelijks meer. Thuis zit de man die ik een leven lang mijn vader heb genoemd te wachten in zijn chesterfield-fauteuil. Ik vraag hem, als ik op bezoek ben: man, wat zit je toch te zitten? Wachten, zegt hij. Ja, ik wacht. Verder geen uitleg.
Ik noem het paalzitten.
Het beeld van deze man, die niet meer eet en in zijn chesterfield uit wachten is gevaren, blijft mij vast mijn hele leven bij. Zijn armen als een schooljongen over de leuningen gelegd, de handen neergehangen, de ogen dovend als een dode ster en dan de blik van eerst naar later langzaam transformerend van onkreukbaar Hollands naar voorgoed verslagen. Ooit heeft Van Gogh zo’n man geschilderd: een gek, die het de ander aanzag.

Op een dag zie ik dat zijn gezicht totaal veranderd is. Het is nog merkwaardig moeilijk uit te leggen wat de oorzaak is, omdat de uiterlijke trekken schijnbaar zijn gebleven wat ze waren. Het komt door meer dan die verzopen ogen: het is zijn kin die langzaam uit balans zakt. De kin is als een zwaar object gaan hangen. In de laagste hangstand is de kaak naar achteren gegleden, waardoor hij nu beetje wijkt, wat het effect van wilskracht ondermijnt. Door het zakken maakt de mond, die met de kin wordt meegetrokken, een neerwaartse beweging die voor de gelaatsuitdrukking van mijn vader bindend is geworden. Hij maakt in deze stand van deze man met zijn voorheen massief gedegen kop, in één klap een karakterloze oude haan, die deernis oproept waar hij vroeger onopvallend imponeerde. Niet om aan te zien.

Het in alle opzichten stagnerende van zijn persoonlijkheid verdrijft de zwarte passie van de eerste tranen, die concessieloos vergoten worden maar die nog vol en zuiver zijn, zonder de dubbelzinnigheid die later komt, en zo verkillend werkt dat ik ontnuchterend vlucht in de gevoelsneutrale woestenij van mijn beginnend cynisme. Zijn allesoverheersende afwezigheid maakt een normaal verkeer met ons verdriet onmogelijk. Ik merk dat ik me warm loop voor de grote aanval op mijn vader.

uit: Liefdesgeschiedenis : verslag van het vergaan - Bas van Putten


____