maandag 9 oktober 2006

Op de lemen vloer de liefde

Om geen geluid te maken bedreven we op de lemen vloer de liefde. Ik slokte zijn geslacht op en hij drong bij mij binnen. Die jood binnen in mij, heerlijk. Een man, voor mij alleen. Zijn handen grepen me bij mijn billen, zijn tong likte mijn oren nat. Hij was precies hardhandig genoeg om me te domineren, maar bezorgd om mijn verlangens. Nooit had ik me zo heerlijk gevoeld, mijn lendenen stonden in brand van een genot dat Claude met niet had gegeven, mijn huid was een en al prikkeling, ik werd doorstroomd door een ongekend geluk; ik had al lang op deze man gewacht. Noch mijn vader of een van mijn professoren, noch Hans-Joachim, die nooit een sensueel gebaar in mijn richting had gemaakt, en nog minder mijn rector op het lyceum of de pastoor met zijn catechismus had deze hunkerende leegte ooit gevuld. Herman was gekomen en ik had hem onverwachts gekidnapt, alleen mijn verlangen had me mijn heldhaftige gedrag ingegeven: het vluchten voor de Gestapo, het onderbrengen in de kelder, het vertalen van Heine, ik was erin geslaagd hem naar mij toe te halen, terwijl niets deed vermoeden dat ik een zo ongebreideld verlangen zou kunnen ontketenen. Er bestond geen enkele twijfel over de manier waarop hij met mij de liefde bedreef: hij maakte zich als een heerser en met de honger van een kannibaal van mijn lichaam meester, geen enkel onderdeel bleef gespaard: mijn dijen, mijn schaamstreek, mijn tepels… Ik liet me pakken omdat ik er behoefte aan had. Ik was een levend wezen. Eindelijk.

uit: Een liefde zonder verzet - Gilles Rozier


____