woensdag 4 oktober 2006

Rationalistische gistingen

Frank Sinatra wordt The Voice genoemd, Anaxagoras had daarentegen de bijnaam Nous, de Geest. De vereenzelviging van de persoon met zijn belangrijkste eigenschap is in onze ogen in beide gevallen buitengewoon treffend: Anaxagoras is namelijk de persoon bij uitstek om de rationalistische gistingen te vertegenwoordigen die de Atheense samenleving van de vijfde eeuw karakteriseerden. De liefde voor de dialectiek, de belangstelling voor natuurverschijnselen, de nieuwe methode van Hippocrates om de geneeskunst uit te oefenen, de zuiverheid van de architectonische lijnen en zelfs de geometrische eenvoud van het bouwplan van Piraeus, ontworpen door Hippodamus van Milete, maken ons duidelijk dat er bij de filosofen en talentvolle mensen uit die periode een groot verlangen leefde de wereld uitsluitend door gebruikmaking van de geestesgaven te interpreteren. In de intellectuelen kringen van die tijd waren de goden uit de mode geraakt en juist daarom werden ze al snel tot strijdwapen in de handen van de reactie. ‘Het Intellect,’ zei Heraclitus, ‘is als een man die niet gedronken heeft en geconfronteerd wordt met anderen die ijdele dingen zeggen.’
Anaxagoras, zoon van Hegesibulus, werd tussen 500 en 497 v. Chr. geboren in Clazomenae, een Ionisch stadje in de buurt van Smyrna. Zijn leermeester was Diogenes van Apollonia, de opvolger van Anaximenes, en zoals alle door de Milezische School beïnvloede filosofen bracht hij meer tijd door met het kijken naar de hemel dan met het behartigen van zijn eigen belangen. Zijn familie was wanhopig: ‘Beste man,’ zeiden ze, ‘waarom zorg je niet voor je bezittingen?’ waarop hij antwoordde: ‘Waarom zorgen júllie er niet voor?’ En zo besloot hij, om van het gezeur af te zijn, alles aan zijn familieleden te schenken. De jonge Anaxagoras voelde zich in wezen alleen gelukkig wanneer hij op zijn dooie piere eentje bovenop de Mons Mimas naar de sterren kon zitten kijken. Op die top bracht hij, gehuld in een wollen denken, en omringd door de meest absolute stilte, lange nachten in de open lucht door. Toen een stadgenoot hem eens verweet dat hij niet genoeg van zijn vaderland hield, antwoordde hij: ‘Dat is helemaal niet waar, ik houd veel van mijn vaderland!’ waarop hij met zijn vinger naar de lucht wees.

uit: Geschiedenis van de Griekse filosofie : de presocraten - Luciano De Crescenzo


____