‘Wat scheelt er aan, liefje?’ vroeg de Rus van de zedenpolitie.
‘Heb je je tongetje soms ingeslikt?’
‘Sodemieter op, etterbak.’
‘Een stevig stuk. We zullen wel eens kijken hoe stevig je je wel houdt, schatje,’ zei hij, en hij bracht een ruwe lach ten gehore en spuwde uit het raam van de ongemerkte politiewagen.
De hoofdman was het alsof zijn lichaam ronddobberde op een grenzeloos uitgestrekte oceaan. De zachte blanke boezem van de prostituée, dat was het waar hij op dreef. Haar ogen waren donker en verleidelijk als die van een pauw, en haar lippen rood als een hibiscusbloem. Als een ontwakende man keek hij naar de vrouw die onder hem lag en hij werd verblind.
De patrouillewagen stopte bij het politiebureau; ze namen haar mee de stenen trappen op en de deur en brachten haar naar de balie van de wachtmeester. ‘Tippelen in de Negenenveertigste Straat,’ zei de rechercheur die haar had opgepikt.
Ze zweeg nu, helemaal teruggezakt in de kilte van haar hart, waar niemand haar kon raken. Dat had ze en hield ze in ieder geval, altijd en waar dan ook, een brok steenkoud ijs, omdat het nimmer smolt misschien.
‘Alle mannen zijn hetzelfde, Kapitein,’ zei Mais, en ze wiegde haar minnaar op en neer. ‘Dat is een hoerenwet.’ En toen ze dat zei, voelde de naderende invasiemacht haar waarheid bewaarheid worden, want het water van de rivier begon te kolken alsof een reusachtige school vissen aan het dansen was geslagen. De orakels van Delphi vertellen ons dat elk wezen dat ook maar een deel van de grote waarheid van het bestaan doorgrond heeft de macht geschonken wordt zekere oerkrachten te bestuderen. En dat was nu juist wat deze door de wol geverfde prostituée, de lieflijke Mais, deed.
uit: Nachtboek - William Kotzwinkle
____
