woensdag 25 oktober 2006

Toen hij nog naar Monte Carlo had kunnen gaan

Als hij verloor, dan was het gedaan met de nieuwe uniformjas, de nieuwe sabelkwast, de soupers in aangenaam vrouwelijk gezelschap; - dan bleef alleen nog de duizend over voor de fraudeur, voor Bogner – en zelf was hij dezelfde arme drommel als twee uur geleden.
Zwijgend legde de consul zijn kaart open. Negen. Niemand sprak het getal uit, maar het klonk spookachtig door de ruimte. Willi’s voorhoofd voelde merkwaardig klam aan. Wel alle duivels, ging dat even vlug! Maar hij had altijd nog duizend gulden voor zich liggen, iets meer zelfs. Hij wilde het niet tellen, dat bracht misschien ongeluk. Hoeveel rijker was hij nog dan vanmiddag toen hij uit de trein stapte. Vanmiddag – En er was niets dat hem dwong de duizend gulden in één keer op het spel te zetten! Hij kon weer met honderd of tweehonderd beginnen. Systeem Flegmann. Alleen was er helaas maar weinig tijd meer, amper twintig minuten. Zwijgen alom. ‘Luitenant!’ zei de consul vragend. – ‘O ja,’ zei Willi lachend en hij vouwde het duizend dubbel. ‘De helft, meneer de consul,’ zei hij. – ‘Vijfhonderd? – ’
Willi knikte. Ook de anderen zetten pro forma in. Maar ze stonden allemaal op het punt om te vertrekken. Eerste luitenant Wimmer stond rechtop met zijn mantel om zijn schouders. Tugut leunde tegen het biljart. De consul legde zijn kaart open, ‘Acht’, en de helft van Willi’s duizendje was verloren. Hij schudde zijn hoofd, alsof het geen zuivere koffie was. ‘De rest,’ zei hij en dacht: ik ben eigenlijk heel rustig. Langzaam bekeek hij zijn kaart. Acht. De consul moest een kaart trekken. Negen. En weg was de vijfhonderd, weg de duizend. Alles weg. – Alles? Nee. Hij had immers nog de honderdtwintig gulden waarmee hij ’s middags was gekomen, en nog iets meer. Vreemd, nu was hij opeens echt dezelfde arme drommel als eerst. En buiten zongen de vogels… net als daarstraks… toen hij nog naar Monte Carlo had kunnen gaan.

Spel in de ochtendschemering [fragment]
uit: Verhalen - Arthur Schnitzler


____