Lager en lager. Een oud grijs tapijt, op sommmige plaatsen afgesleten tot op de fundering van de schering en inslag, en daaronder de kale planken. Ik trek mijn rok recht en buk nog verder. Mijn oog wordt naar een versleten stukje van het tapijt getrokken waar alleen nog maar eilandjes van wol temidden van een zee van geweven draden resten. Hier bevinden zich honderden eilandjes, niet van vreugde maar van duisternis. Slechts op enkele eilandjes glittert iets, het roept onder het dikke loof van wol vandaan, kleine stukjes glas, die op wonderbaarlijke wijze de laatste keer dat ik stofzuigde twee weken geleden overleefden. De glinsterende brokstukjes zijn nu op de eilanden aangespoeld. Zeeworp en zeedrift. Uitgestotenen, afval. Ik vraag me af hoe het zou zijn deze donkere zee te bevaren en die grijzige spookeilanden aan te doen.
Anderen zijn me voor. Kluwens stof zeilen als galjoenen over de droge zee. Om van de ene kant van het tapijt in de hal de andere kant te bereiken, reist een enkel stofje gestadig gedurende honderdachtentwintig dagen en nachten. Een kluwen stof echter, kan deze reis in minder dan een week afleggen. Deze op het eerste gezicht onpraktische structuren zijn in feite juist ontworpen om de trek die vanonder de voordeur vandaan komt te vangen. Ik verwonder me over hun constructie. Een voorbeeld: het pluisje dat het dichtst bij mij ligt, heeft een structuur gebaseerd op onderling verbonden spiralen. Zwakkere draden wikkelen zich in lossere arabesken van boven naar beneden, zij verbinden de ene curve van de spiraal met de volgende, waardoor zij stofjes en andere deeltjes binnen de structuur vangen.
De strakker gewikkelde spiralen zijn gemaakt van menselijk haar, voornamelijk van Philip en mij. De stuggere haren lijken afkomstig van een hond, hoewel ik me niet kan herinneren wanneer we voor het laatst een hond in huis hadden. Maar dat doet er nu niet toe. Ze tonen me vrees in een stofkluwen.
Hoe groots de stofkluwens ook zijn – zo complex als het menselijk brein en tegelijkertijd zo sierlijk als een zeilwagen – ze zijn slechts de zwakke en geestloze bodes van hun meester. Hun complexe cerebrale constructies staan ze niet toe te spreken. Desalniettemin is het duidelijk dat ze gestuurd zijn om mij te ontbieden. Ik durf geen adem te halen, ik wacht om te zien welke boodschap het stofkluwen voor mij heeft. Zoals bij alle andere is ook zijn gedraaide skelet gemaakt van menselijk haar en in dit geval voornamelijk van het mijne. Het was een sluwe grap van de meester om dit creatuur naar mij toe te zenden – een sluwe grap of een onverbiddelijke waarschuwing.
uit: Beperkt zicht - Robert Irwin

____