Dat is een opmerkelijke neergang: tussen de klassieke retorica en de hedendaagse retoriek moet er iets grondig misgegaan zijn in de waardering van het gesproken woord: de kunst van het overtuigen wordt nu eerder gewantrouwd als de kunst van het misleiden.
Toch is dat wantrouwen tegen retorische vaardigheden bijna net zo oud als de retorica zelf. Het markeert zelfs min of meer de geboorte van de filosofie, in de persoon van Socrates, die de strijd aanbond met de zogeheten ‘sofisten’ – gehaaide redenaars, die graag demonstreerden hoe elk standpunt, inclusief het tegendeel ervan, overtuigend kon worden verdedigd. Die strijd draaide, zou je kunnen zeggen, om de vraag wat nu eigenlijk belangrijker was: gelijk hébben of gelijk kríjgen. Anders gezegd: ging het om de waarheid, of om de bijval van het publiek?
Onpraktisch als ze is, koos de filosofie voor de waarheid en veroordeelde zichzelf daarmee tot die uiterst vermoeiende exercities die ten doel heben onweerlegbare waarheden te formuleren. Dat heeft na een paar duizend jaar niet veel anders opgeleverd dan het inzicht dat de taal daar niet erg geschikt voor is. En zo trokken de sofisten, die meer vertrouwen hadden in de taal dan in de waarheid, uiteindelijk toch aan het langste eind: wat heb je aan je gelijk, als je het niet krijgt? Welk belang heeft de waarheid als je er niemand van kunt overtuigen? In de politiek, in de publieke opinie, in de literatuur en zelfs in de filosofie wordt de dienst uitgemaakt door woordvoerders die het beter, scherper of geestiger weten te zeggen dan hun tegenstanders. Het verwijt van retoriek mag nog zo terecht zijn, als die retoriek effectief is, staan de critici met lege handen te midden van het driftig applaudiserende publiek.
Redenaars van papier [fragment]
uit: Betoveringen : essays - Piet Meeuse
