Zijn dunne, doorschijnende benen, bewegende ledematen van een dode spin, kwamen tot stilstand in een smal straatje – een zwarte doodkist.
De zon besprong hem als een sprinkhaan.
Muren aan weerskanten van de straat – speelplaatsen uit zijn jeugd.
Een en al roze, in een roze gekleurde wereld.
Hij voelde een tikje op zijn schouder. Hij draaide zijn hoofd om – een muisje.
‘Ach, ben jij het, wil je bij Bomke zijn? Er is zeker niemand die een liedje voor je zingt in het riool? Nou, ook hier zullen we goeie maatjes blijven. Kijk maar hoe roze de muren zijn! Waar komt die roze kleur vandaan?’
En Bomke liefkoost haar, het grijze wezentje op zijn schouder. Hij herinnert zich dat hij eens zijn Blimele zo streelde.
Bij de klank van het woord ‘Blimele’ verbleekt het roze. De muren zijn niet langer speelplaatsen, maar lemen geraamtes. Er zweeft een wolkje boven – een engel met beroete vleugels.
‘Bomke,’ trekt het muisje de aandacht, ‘hoe nu verder?’
Zijn herinnering is een pad tussen korenhalmen. De korenhalmen worden gemaaid en met het maaien verdwijnt het pad.
‘Bomke, jij bent een muisje net als ik, niet om jou is de stad bevrijd. Waar blijft de wraak?’
De engel met de beroete vleugels draagt het straatje – de zwarte doodskist – weg.
Voor hem uit strekt zich, als een verdroogde rivierbedding met het zandige zilver van dode vissen, een immens brede straat uit, niet één bewoond huis aan beide zijden te bekennen. Door de straat marcheren de nieuwe soldaten met een blaasorkest dat koperen muziek uitschalt als danste de donder op een bruiloft.
Bomke [fragment]
____
