zaterdag 9 december 2006

Mijn rustkoets

Ik voel mijn zanglust met mijn slaaplust groeien,
____Ik dicht met handen in de schoot;
En, zorgloos op het dons gelegen, strekt mijn rustkoets
________Mij tot een Pindus.

Hij, wien het luste, schrijve mijne vaerzen,
____Vergader’ ze in een bondel saam;
En keurig-fikse rijmlaars mogen ze berijmen,
________Schaven, en likken.

God Hypnus zing ik. Gij, o lieve zangster,
____o Vadsigheid! verhef de god,
Wiens blijde komst ik, in dees vreedzame ogenblikken,
________Geeuwend verbeide.

Van hier, van hier, navolgers! slaafs gebroedsel!
____Die in het zog der dichtren zwemt:
Wier pogen slechts bewijst dat eertijds dichters waren:
________Vlied, ongewijden!

Mijn zanglust [fragment]
uit: Gedichten - O.C.F. Hoffham


____