donderdag 21 december 2006

Probeer te denken aan iets waar niets is

‘Nu, luister goed, Fatma. En denk erom, niet boos worden. God bestaat dus niet, dat heb ik al vaak genoeg gezegd. We kunnen zijn bestaan immers niet experimenteel aantonen. Dus, alle godsdiensten, die immers het bestaan van Goddelijkheid als uitgangspunt hebben, zijn loze poëtische hersenspinsels. Dus zijn uiteraard ook Hemel en Hel hersenspinsels. Welnu, als er geen hemel en geen hel zijn, dan is er dus ook geen leven na de dood. Kun je het nog volgen, Fatma? Als er dus geen leven na de dood is, dan betekent dat dat het leven van hen die doodgaan verdwijnt, samen met de dood, en zonder een spoor achter te laten. Laten we deze omstandigheid ook eens beschouwen vanuit het oogpunt van de dode: Waar is de dode dan na zijn dood, want hij leefde immers voordat hij stierf. Ik heb het niet over zijn lichaam. Nee, waar zijn zijn bewustzijn, zijn gevoel, zijn geest? Nergens. Ze zijn niet, snap je Fatma, ze zijn in iets dat niet is, ze zijn bedolven onder dat wat ik het Niets noem; ze zien niemand meer en niemand ziet hen meer. Begrijp je nu, Fatma, hoe verschrikkelijk dat Niets is? Hoe meer ik eraan denk, hoe meer ik word bevangen door een onbeschrijfelijke angst: Ach, heer, wat een vreemde, huiveringwekkende gedachte is het toch. Als ik het me probeer voor te stellen rijzen mijn haren me te berge. Probeer jij het je ook maar eens voor te stellen, Fatma; probeer te denken aan iets waar niets is; geen geluid, geen kleur, geen geur, geen gevoel, aan iets dat geen eigenschappen heeft en dat zelfs in de leegte geen plaats heeft. Je kunt het je niet voorstellen, hè? Iets dat geen plaats inneemt in de ruimte, dat niet gezien en niet gevoeld kan worden. Het is alleen een eindeloze duisternis, maar het is er zich niet eens bewust van dat het een eindeloze duisternis is. Vandaar de duistere dood, en het Niets is nog erger dan dat. Ben je bang, Fatma? Onze lijken verrotten in de gruwelijke en ijskoude stilte van de aarde, en de lichamen van de oorlogsslachtoffers, doorzeefd met kogels, met verbrijzelde schedels en uiteengespatte hersenen, met bloedende oogkassen en stukgereten monden, die lichamen liggen te ontbinden tussen de rokende puinhopen en hun bewustzijn, en ons bewustzijn ook, is bedolven onder het eindeloos duistere Niets, als blinden die hals over kop in een bodemloze kloof vallen en tot in de eeuwigheid blijven doorvallen zonder dat ze begrijpen wat hun overkomt, nee, erger nog dan dat.’

uit: Het huis van de stilte - Orhan Pamuk


____