zaterdag 23 december 2006

Tafellezers en stoellezers

De Italiaanse schrijver Italo Calvino (1923-1985) heeft meer aandacht voor de uiterlijke omstandigheden.

U staat op het punt te gaan lezen… ontspan u. Concentreer u. Verjaag alle andere gedachten. Laat de wereld om u heen vervagen. Het is het beste de deur dicht te doen; in de kamer ernaast staat altijd de tv aan. Zeg de anderen meteen: ‘Nee, ik wil geen tv kijken!’ Verhef uw stem – anders horen ze u niet – ‘Ik zit te lezen! Ik wil niet gestoord worden!’ Misschien hebben ze u, met al dat lawaai, niet gehoord. Spreek luider, schreeuw: ‘Ik begin te lezen!’

Joyce Carol Oates (1938) heeft weer een ander aanbevelenswaardig advies:

Het ware te bewijzen dat lezen het meest hartstochtelijke, want het geheimste soort genoegen is. En dat het een genoegen is dat het beste ’s nachts gesmaakt kan worden: als een ideale vorm van slapeloosheid. Op dergelijke momenten, wanneer het lamplicht de pagina verlicht maar niet veel meer, is de wereld klein geschreven, verrukkelijk klein, en woorden, de stem van een ander, komen naar voren.

Kees Fens wijdde ooit een column aan de verschillende manieren waarop men bij zijn lectuur kan gaan zitten of liggen.

Er zijn tafellezers en er zijn stoellezers. De eerste groep heeft het ’s nachts het moeilijkst. De stoellezer die toch al een veel gezonder leven leidt dan die kromgebogen heremiet aan tafel, kan zijn fraaie situatie van overdag in bed enigszins nabouwen: met een verstelbaar hoofdeinde en wat kussens zit hij daar als in zijn leunstoel, het boek rustend in de handen. Laat de nacht maar duren. Hij kan het lang volhouden, mits de leeslamp op de juiste hoogte is aangebracht, wat meestal niet het geval is, en dan ontneemt hij zichzelf het licht. Het duurt niet lang of hij is zo diep gezakt dat hij lotgenoot wordt van de tafellezer: hij zoekt een houding en kan die niet vinden.
De tafellezer is van een zekere experimenteerlust niet vrij. Hij is begonnen met rechtop te zitten trok de knieën op en meende vervolgens een tafeltje te hebben. Het boek legde hij op de knieën. Zo’n tafeltje houdt het slechts korte tijd: er ontstaat kramp in de poten, het begint te wankelen en het boek gaat aan het schuiven. Maar wat de houding van het begin af onnatuurlijk maakte: hij kon zijn ellebogen niet kwijt en dus zijn hoofd niet laten rusten. Als de benen het al hielden, begon het niet ondersteunde hoofd los te hangen. Hij zag zich bovendien gedwongen scheef te gaan zitten, want hij zat met zijn hoofd in de lamp. Zelfs als hoofd en benen het hielden en het licht de pagina’s vond, voelde hij zich na zeer korte tijd ongelukkig: zijn armen hingen erbij. Nu had hij die kunnen gebruiken om het boek vast te houden, maar dat is hij niet gewend; anders zou hij waarschijnlijk een stoellezer zijn.

uit: Nooit alleen naar bed : de genoegens van het lezen - Herman Pijfers (samenst.)


____