Ook ik had mijn avontuurtjes gehad, en nog wel vóór Charles. Ze waren er zelfs de oorzaak van dat ik hem nu en dan verwaarloosde. Dromen, page zijn, op mijn twintigste was ik eigenlijk nog groen en zelfs enigszins een knulletje. O, ik wist best wat van vrouwen verlangd wordt: ze hoeven niet enkel koninginnen te zijn. En toch, welke geheimzinnige schat verborgen deze schepselen, die zo verschillend waren van wat ik was en die zo elegant en verwaand op hun hoge hakken rondtrippelden? Welke krachttoeren zouden er nodig geweest zijn om ze te veroveren! Maar wat een verrukking dan! VERRUKKING rees in mijn gedachte op als een kathedraal. Of als mijn paard van Troje. Lelijk ben ik niet. Op straat ving ik hier en daar een glimlach op. Toch joegen ze me schrik aan. Ik had te veel pijn gehad van mijn koningin. Ik herinnerde het me nog en had er genoeg van. En dan de rondwarende duivel, de ziel die rein moet blijven, de vleselijke gemeenschap, een van de ergste doodzonden. Meneer pastoor had die gedachten zo goed samen te slapen gelegd dat je de andere wakkermaakte als je er één aanraakte.
En toen ontvlamde er plotseling iets. Plotseling? Dat bestaat, niet, maar ik werd me er op een abrupte manier van bewust. Dat overkwam me bij mijn ontvanger, toen ik op zekere dag in alle onschuld het geld natelde dat een belastingplichtige, een erg geparfumeerde jonge dame mij betaalde.
