Die kracht ontbrak hem omdat hij geen duidelijke wens had, en de marteling bestond juist daaruit dat hij vergeefs iets te wensen zocht. Hij kon zichzelf er niet eens toe zetten zijn hand uit te steken om het licht aan te doen. De eenvoudige overgang van gedachte naar daad leek hem een onvoorstelbaar wonder. Niets kon zien neerslachtigheid verminderen, zijn gedachten gleden doelloos door zijn hoofd, zijn hartstlag was zwak en zijn onderkleren plakten op een onprettige manier aan zijn lijf. Het ene moment voelde hij dat hij ogenblikkelijk een brief aan Ljoedmila moest schrijven, waarin hij onomwonden verklaarde dat het hoog tijd werd een eind te maken aan deze uitzichtloze relatie, en even later herinnerde hij zich dat hij die avond met haar naar de bioscoop zou gaan en dat het op de een of andere manier veel moeilijker was te besluiten op te bellen om de afspraak van vandaag af te zeggen, dan om een brief te schrijven, zodat hij uiteindelijk geen van beide deed.
uit: Masjenka - Vladimir Nabokov
