donderdag 28 december 2006

Wilsversnippering

Hij ging ergens koffie drinken en bleef achter een van de grote ruiten een uurtje naar de voorbijgangers zitten kijken. Terug in zijn kamer probeerde hij te lezen maar vond de inhoud van het boek zo vreemd, zo triviaal, dat hij het midden in een bijzin weglegde. Hij was in het soort stemming dat hij ‘wilsversnippering’ noemde. Roerloos zat hij aan zijn tafel en kon niet besluiten wat hij zou doen: gaan verzitten, opstaan en handen wassen, of het raam openzetten, terwijl buiten de grauwe dag langzaam maar zeker overging in de schemering. Het was een akelige, pijnlijke toestand, vergelijkbaar met het doffe gevoel van onbehagen dat we hebben als we wakker worden maar eerst onze ogen niet open krijgen, alsof onze oogleden voorgoed aan elkaar zijn vastgeplakt. Ganin voelde hoe de grauwe schemer niet alleen geleidelijk de kamer vulde maar ook langzaam zijn lichaam binnen drong, zijn bloed troebel maakte en hoe hem de kracht ontbrak om de ban van de schemering te doorbreken.
Die kracht ontbrak hem omdat hij geen duidelijke wens had, en de marteling bestond juist daaruit dat hij vergeefs iets te wensen zocht. Hij kon zichzelf er niet eens toe zetten zijn hand uit te steken om het licht aan te doen. De eenvoudige overgang van gedachte naar daad leek hem een onvoorstelbaar wonder. Niets kon zien neerslachtigheid verminderen, zijn gedachten gleden doelloos door zijn hoofd, zijn hartstlag was zwak en zijn onderkleren plakten op een onprettige manier aan zijn lijf. Het ene moment voelde hij dat hij ogenblikkelijk een brief aan Ljoedmila moest schrijven, waarin hij onomwonden verklaarde dat het hoog tijd werd een eind te maken aan deze uitzichtloze relatie, en even later herinnerde hij zich dat hij die avond met haar naar de bioscoop zou gaan en dat het op de een of andere manier veel moeilijker was te besluiten op te bellen om de afspraak van vandaag af te zeggen, dan om een brief te schrijven, zodat hij uiteindelijk geen van beide deed.

uit: Masjenka - Vladimir Nabokov