zondag 31 december 2006

Driedimensioneel dagboek

De controverse in Speers ontwerpen is die tussen de romanticus en de technicus. Net als de gebroeders Ruff in de Congreshal in Neurenberg gebruikte hij moderne ‘snelle’ technieken en materialen om die vervolgens te omhullen met een buitenkant die de traditie van het ‘langzame’ handwerk moest suggereren.
Uit Speers architectuurontwerpen blijkt een denken dat wel de technische verworvenheden van het heden accepteert maar weigert er iets anders mee te doen dan het verleden te kopiëren en te vergroten.
De tijd in fascistische bouwwerken is nooit die van de organisch gegroeide, uit het verleden voortkomende, maar de niet bestaande tijd van de utopie, een utopie die zijn fantasieloosheid uit door als twee druppels water op een ver verleden te lijken en zo nooit werkelijke tijd kan worden, maar slechts imponerende ruimte waarin voor de mens als individu geen plaats is.

De MERZ Bau van Kurt Schwitters onderscheidt zich in alle aspecten radicaal van de ontwerpen en gerealiseerde gebouwen van Speer. Speers werkwijze was gebaseerd op een toekomst waarin zijn bouwwerken ruïnes zouden zijn geworden, mooie ruïnes, men zou het een geperverteerde architectuur kunnen noemen, Schwitters opereerde vanuit het devies: ‘Alles was toch kapot, het ging erom uit de scherven iets nieuws op te bouwen.’ In Speers ontwerpen werd het actuele Duitse verleden met de frustratie van de nederlaag van 1918 geheel verdonkeremaand en vervangen door bordkartonnen beelden van het Romeinse keizerrijk, Schwitters hurkte tussen de scherven van zijn tijd en vond de collagemethode als de meest geschikte om een hedendaagse kathedraal te bouwen.
Schwitters imiteerde de natuur in haar werkwijze en zijn MERZ Bau, waarin geen onderscheid werd gemaakt tussen een tramkaartje en een Romeinse godheid, Hitler of de acteur Conrad Veidt, lijkt op de manier waarop zich in de natuur een koraal vormt. Ook komt de vergelijking met een slakkehuis op. Alles incorporerend in zijn bouwwerk bouwde hij een kathedraal waarin op het laatst nog maar plaats was voor één mens, de maker. Deze architectuur van de organische groei is in de officiële architectuur nauwelijks toegepast.
Schwitters verhouding tot de traditie was niet gebaseerd op imitatie maar op het werkelijke gebruik ervan, traditie werd op één lijn gesteld met wat zich in het heden aandiende. Waar Speer probeerde de alledaagse werkelijkheid uit te sluiten, probeerde Schwitters juist haar binnen te halen. Men kan hier van een inclusieve en een exclusieve bouwmethode spreken.
Het ging Schwitters niet om het resultaat, om in tijd gestolde ruimte, maar om een proces. Niet voor niets legde hij de nadruk op het onaffe karakter van zijn bouwwerk. Daarom kon hij ook een oppervlakte eenvoudig bedekken met iets anders, zoals men een nieuw behangetje over een oud heen plakt. De ruimte van zijn kathedraal was daardoor voortdurend in beweging, in de tijd.
Speers architectonische schaalmodellen vallen op door de minutieuze uitwerking tot in het kleinste detail. Hitler en hij hebben werkelijk rondgelopen door het Madurodam van hun dromen, dat er op foto’s beangstigend uitziet, niet het minst omdat er geen mens in te bekennen valt. Alles in deze modellen was van tevoren gepland. Ruimte voor het toeval was er niet in gelaten. Schwitters gebruikte het toeval als een creatieve medewerker. Zijn MERZ Bau is in hoge mate het resultaat van denken en handelen binnen menselijke maten, waarbij de materiaalkeuze de tijdelijkheid benadrukte en niet, zoals bij Speer, de tijd probeerde te manipuleren tot eeuwigheid.
Hitler probeerde met zijn bouwwerken een gedroomde autobiografie te realiseren, buiten de werkelijke tijd om. Schwitters schiep zijn autobiografie zonder zich om de toekomst te bekommeren, als een soort driedimensioneel dagboek.

De menselijke maat : over Albert Speer en Kurt Schwitters [fragment]
uit: Ontroeringen : essays - J. Bernlef
____

Met het maaien verdwijnt het pad

Toen Bomke na een jaar duisternis uit de riolen opdook in de bevrijde stad, had hij veel weg van een burger uit Pompeï die door de lava met gesmolten diamanten was overgoten.
Zijn dunne, doorschijnende benen, bewegende ledematen van een dode spin, kwamen tot stilstand in een smal straatje – een zwarte doodkist.
De zon besprong hem als een sprinkhaan.
Muren aan weerskanten van de straat – speelplaatsen uit zijn jeugd.
Een en al roze, in een roze gekleurde wereld.
Hij voelde een tikje op zijn schouder. Hij draaide zijn hoofd om – een muisje.
‘Ach, ben jij het, wil je bij Bomke zijn? Er is zeker niemand die een liedje voor je zingt in het riool? Nou, ook hier zullen we goeie maatjes blijven. Kijk maar hoe roze de muren zijn! Waar komt die roze kleur vandaan?’
En Bomke liefkoost haar, het grijze wezentje op zijn schouder. Hij herinnert zich dat hij eens zijn Blimele zo streelde.
Bij de klank van het woord ‘Blimele’ verbleekt het roze. De muren zijn niet langer speelplaatsen, maar lemen geraamtes. Er zweeft een wolkje boven – een engel met beroete vleugels.
‘Bomke,’ trekt het muisje de aandacht, ‘hoe nu verder?’
Zijn herinnering is een pad tussen korenhalmen. De korenhalmen worden gemaaid en met het maaien verdwijnt het pad.
‘Bomke, jij bent een muisje net als ik, niet om jou is de stad bevrijd. Waar blijft de wraak?’
De engel met de beroete vleugels draagt het straatje – de zwarte doodskist – weg.
Voor hem uit strekt zich, als een verdroogde rivierbedding met het zandige zilver van dode vissen, een immens brede straat uit, niet één bewoond huis aan beide zijden te bekennen. Door de straat marcheren de nieuwe soldaten met een blaasorkest dat koperen muziek uitschalt als danste de donder op een bruiloft.

Bomke [fragment]
uit: Groen aquarium & Dagboek van de Messias - Abraham Sutzkever

____

vrijdag 29 december 2006

Brede wegen

Op aardewegen tussen populieren
voerden de geuren van de vier seizoenen
je weg van de hoeve door glooiend land.
Je keek om, je nam afscheid – je hebt
je leven lang afscheid genomen.
En na de feesten van de kindertijd
werd je wakker met houten mond
in schoolgebouwen die stoffig stonken
naar verdrongen jongensdromen.
Veel later brachten brede wegen
je naar de wereld met zijn steden,
zagen je ogen virtueel
het middeleeuwse barre Spanje,
de Amerika’s van Maya’s, Inka’s
en Azteken, hoorden je oren virtueel
het wapengekletter in Troje,
de donder boven de loopgraven,
en werkelijk de stilte
op de soldatenkerkhoven.

Wie ben je, Aeneas, Ortega,
Trujillo, Busbecq
wanneer je wandelt langs de Leie,
in Turkije, Spanje, Mexico, Peru
of in Wisconsin, USA?

Je blijft in ruimte en tijd het kind
dat gewetenloos onwetend
de steentijd in zijn vingers voelt
terwijl hij de keiheuvel
beklimt en de bewerkte sileks
opgooit naar de sterren,
terwijl hij afscheid neemt
van de hoeve waar zijn moeder
altijd op hem zal wachten.
Uitgespreid in ruimte en tijd,
wilde ik meer zijn dan ik
maar levende met al
mijn zintuigen gespannen
sterf ik straks als ik.

Zintuigen [fragment]
uit: Liefde, het enige : gedichten - Willy Spillebeen

____

donderdag 28 december 2006

Wilsversnippering

Hij ging ergens koffie drinken en bleef achter een van de grote ruiten een uurtje naar de voorbijgangers zitten kijken. Terug in zijn kamer probeerde hij te lezen maar vond de inhoud van het boek zo vreemd, zo triviaal, dat hij het midden in een bijzin weglegde. Hij was in het soort stemming dat hij ‘wilsversnippering’ noemde. Roerloos zat hij aan zijn tafel en kon niet besluiten wat hij zou doen: gaan verzitten, opstaan en handen wassen, of het raam openzetten, terwijl buiten de grauwe dag langzaam maar zeker overging in de schemering. Het was een akelige, pijnlijke toestand, vergelijkbaar met het doffe gevoel van onbehagen dat we hebben als we wakker worden maar eerst onze ogen niet open krijgen, alsof onze oogleden voorgoed aan elkaar zijn vastgeplakt. Ganin voelde hoe de grauwe schemer niet alleen geleidelijk de kamer vulde maar ook langzaam zijn lichaam binnen drong, zijn bloed troebel maakte en hoe hem de kracht ontbrak om de ban van de schemering te doorbreken.
Die kracht ontbrak hem omdat hij geen duidelijke wens had, en de marteling bestond juist daaruit dat hij vergeefs iets te wensen zocht. Hij kon zichzelf er niet eens toe zetten zijn hand uit te steken om het licht aan te doen. De eenvoudige overgang van gedachte naar daad leek hem een onvoorstelbaar wonder. Niets kon zien neerslachtigheid verminderen, zijn gedachten gleden doelloos door zijn hoofd, zijn hartstlag was zwak en zijn onderkleren plakten op een onprettige manier aan zijn lijf. Het ene moment voelde hij dat hij ogenblikkelijk een brief aan Ljoedmila moest schrijven, waarin hij onomwonden verklaarde dat het hoog tijd werd een eind te maken aan deze uitzichtloze relatie, en even later herinnerde hij zich dat hij die avond met haar naar de bioscoop zou gaan en dat het op de een of andere manier veel moeilijker was te besluiten op te bellen om de afspraak van vandaag af te zeggen, dan om een brief te schrijven, zodat hij uiteindelijk geen van beide deed.

uit: Masjenka - Vladimir Nabokov


woensdag 27 december 2006

Getalkte baby’s

De zon is een gele polo met lange blonde krullen
de file slechts het schuiven van piano’s
in en uit de stad
en in dat vliegtuig zit mijn moeder, steeds hoger.
Er wordt betoogd voor een probleem dat ik niet ken.
Wij zijn getalkte baby’s die slapen
met leeggewaaide hoofden.

(zonder titel) [fragment]
uit: Fijne motoriek : gedichten - Koen Peeters


____

dinsdag 26 december 2006

Gelezen in 2006

AAFJES, Bertus - Maria Sibylla Merian & In den beginne : gedichten
ADOLPHSEN, Peter - Bromsteen : novelle
ARRABAL, Fernando - Baäl Babylon
ARTAUD, Antonin - Van Gogh : de zelfmoordenaar door de maatschappij
ASHBERY, John - Zelfportret in een bolronde spiegel & andere gedichten
ASSCHER, Maarten - Het uur en de dag

BAILLON, André - Doodzonde
BALZAC, Honoré de - Sarrasine
BANVILLE, John - Het boek der getuigenis
BEIGBEDER, Frédéric - Liefde duurt drie jaar
BERNLEF, J. - Hoe van de trap te vallen : jazzverhalen
BERNLEF, J. - Ontroeringen : essays
BIJSTERBOSCH, Willem - Motief onbekend : gedichten
BISHOP, Elizabeth - Verliezen is een kunst : gedichten
BLÉ, Sacha - Afwezigheid : gedichten
BOGAERT, Paul - A.u.b. : gedichten
BOOG, Mark - Zo helder zagen we het zelden : gedichten
BOR, Josef - Requiem Theresienstadt
BRAILOVSKY, Antonio Elio - Duivelse verleidingen : erotische misdaadroman
BRAKMAN, Willem - De gifmenger
BREMS, Hugo - De dichter is een koe : over poëzie
BRIZZI, Enrico - Jack Frusciante haakt af : een groots verhaal over liefde en parochie-rock BRODSKI, Iosif - Torso : gedichten
BROUWERS, Jeroen - De schemer daalt : slenteren door mijn boekenkast (Feuilletons 7)
BROUWERS, Jeroen - Het tuurtouw : ter herinnering aan Geert van Oorschot
BRULEZ, Raymond - Het huis te Borgen (Mijn Woningen dl. 1)
BRUYNSEEL, Mark - Uit de verf van lucht : gedichten
BÜCH, Boudewijn - Een heel huis vol : over een natuurwetenschappelijke verzameling

CAMPERT, Remco - Eetlezen
CAMPERT, Remco - Het satijnen hart
CANETTI, Elias - Party tijdens de blitz : de Engelse jaren
CAPOTE, Truman - Ontbijt bij Tiffany en andere verhalen
CARLOTTO, Massimo - De vluchteling
CARRIÈRE, Jean-Claude - Einstein, vertel eens
CASTELEYN, Dimitri - Omgekeerd : gedichten
COPPERS, Toni - De beha van Madonna : brieven van een reiziger
CRESCENZO, Luciano De - Geschiedenis van de Griekse filosofie : de presocraten

DAHL, Roald - De prinses en de stroper : twee fabels
DEARBORN, Mary V. - Minnares van het modernisme : het leven van Peggy Guggenheim
DELMOTTE, Alain - Engelen, verstekelingen in het wit van het gedicht
DIDDEN, Marc - Liefde is doof : een verslag
DIDION, Joan - Het jaar van magisch denken
DOBBELAAR, Tanny - Schrijven met Montaigne
DÖBLIN, Alfred - De moord op een boterbloem en andere verhalen
DÖBLIN, Alfred - De twee vriendinnen en hun gifmoord
DONKERS, Jan - De nacht duurt twaalf uren
DUCAL, Charles - In inkt gewassen : gedichten

EEDEN, Ed van - Boekenwurmen & ander ongedierte : over de omgang met boeken

FENS, Kees - Dat oude Europa : nieuwe keuze uit de maandagstukken
FEST, Joachim - Onbeantwoordbare vragen : gesprekken met Albert Speer
FRANSEN, Ad - W.F. Hermans, een Hollander in Parijs
FRANZEN, Jonathan - De onbehaaglijkheidsfactor : een persoonlijke geschiedenis

GOBINEAU, Joseph Arthur graaf de - De rode zakdoek, gevolgd door Adélaïde
GOUDESEUNE, Koenraad - Onuitsprekelijk is wat wij over de liefde zeggen
GRAFF, Laurent - De man die op reis ging
GRIN, Alexander - De schandpaal : verhalen
GRUYTER, Jess De - I thought we just left that party : gedichten : De lotgevallen van een lichtgeraakte macho en zijn gevolg, of De hand onder Mona Lisa's rok

HAAKMAN, Anton - Leven, Brand en Inbraak
HAMELINK, Jacques - Ceremoniële en particuliere madrigalen
HEANEY, Seamus - Elektrisch licht : gevolgd door een selectie uit Het eerste koninkrijk : gedichten
HEIJDEN, A.F.Th. van der - Het leven uit een dag
HERBERGHS, Leo - Portret van een landschap : gedichten 1953-1997
HERTMANS, Stefan - Melksteen
HOEVEN, Jan van der - Grap-, Graf- en andere Schriften : light verse
HOFFHAM, O.C.F. - Gedichten
HOLVOET-HANSSEN, Peter - Spinalonga : 44 gedichten
HONINGH, Chris - De rinkelbom : gedichten
HOOF, Guy van - De Nieuwe Romantiek : situering en bloemlezing
HOUELLEBECQ, Michel - Mogelijkheid van een eiland
HÜLSENBECK, Richard - De ondergang van Dr. Billig
HWANG, Sok-yong - Mijnheer Han

IRWIN, Robert - Beperkt zicht
IRWIN, Robert - Het Alhambra
ISTENDAEL, Geert van - Berichten, bezweringen : gedichten

JEROFEJEV, Venedikt - Moskou op sterk water
JONCKHEERE, Karel - Bertus Aafjes : De dichter van de poëzie
JONES, Gail - Een zee van licht
JONG, Oek de - Een man die in de toekomst springt

KADARE, Ismail - Leven en dood van Florian Mazrek
KAPUSCINSKI, Ryszard - Reizen met Herodotos
KEYSER, Laurens De - Kleine atlas van de troost : 13 plaatsen in België om er weer tegen te kunnen
KOMRIJ, Gerrit - Kijken is bekeken worden : uit de kelders van Het Stedelijk
KOMRIJ, Gerrit - Wagner en ik
KORTEWEG, Anton - In handen : gedichten
KOTZWINKLE, William - Nachtboek
KOUBAA, Bart - Lucht

LANDOLFI, Tommaso - De vrouw van Gogol : verhalen
LANGERAK, Thomas e.a. - De taal vervoert de dichter heel ver weg : vijf hedendaagse Russische dichters
LEENDERS, Herman - De echtbreukeling
LEENDERS, Herman - Ogentroost : gedichten
LO PRESTI, Giuseppe - De jager met de belletjes

MAHFOEZ, Nagieb - Mijn Egypte
MAJAKOVSKI, Vladimir - Oorlog en heelal : poèma
MANN, Klaus - Opgejaagd, gedoemd, verloren : dagboek 1933-1949
MANN, Thomas - De Buddenbrooks : verval van een familie
MANSFIELD, Katherine - Prelude
MEEUSE, Piet - Betoveringen : essays
METSUE, Erik - Woekering : gedichten
MICHAUX, Henri - Roerige nacht
MICHEL, K. - Waterstudies : gedichten
MICHIELS, Ivo - Sissi : journal brut boek acht
MIDDAG, Guus - Ik ben een napraatpapegaai : dertig kleine essays over poëzie
MIRMONT, Jean de la Ville de - De zondagen van Jean Dézert
MORAND, Paul - Venetiës
MURAKAMI, Haruki - De olifant verdwijnt
MUTSAERS, Charlotte - De markiezin

NABOKOV, Vladimir - Masjenka
NABOKOV, Vladimir - Verzamelde verhalen 1
NAEGELS, Tom - Los
NASR, Ramsey - onze-lieve-vrouwe-zeppelin : Antwerpse gedichten
NES, Liesbeth van (samenst.) – De fantastische machine : de machine in haar literaire vermomming
NOLENS, Leonard - Een dichter in Antwerpen en andere gedichten

OCCHIOGROSSO, Peter - Het echte Frank Zappa boek

PAMUK, Orhan - Het huis van de stilte
PEETERS, Hagar - Genoeg gedicht over de liefde vandaag
PEETERS, Koen - Fijne motoriek : gedichten
PIJFERS, Herman (samenst.) - Nooit alleen naar bed : de genoegens van het lezen
PIPERNO, Alessandro - Met de slechtste bedoelingen
PIRANDELLO, Luigi - De oude God : novellen voor een jaar
PITT-KETHLEY, Fiona - Reizen in de onderwereld
PRICK, Harry G.M. - Een andere Boudewijn Büch : terugblik op een vriendschap
PUTHAAR, René - Hier en daar : gedichten

RAMON, Renaat - Geheim besogne : gedichten
RASKER, Maya - Rekwisieten
REINTS, Martin - Ballade van de winstwaarschuwing
REVE, Gerard - Brieven aan Simon C. 1971-1975
ROMBOUTS, Tony - De witte wandelaar : gedichten 1960-2000
ROS, Martin - Bloednacht Mayerling 1889-1945
ROS, Martin - Herinneringen aan mijn rijke roomse jeugd
ROSS, Alan - Weerspiegelingen in een azuurblauwe zee : Capri en de Liparische Eilanden
ROSSEM, Jean-Pierre Van – Een dode zwaan in Tann
ROUBAUD, Jacques - De vorm van een stad verandert sneller, helaas, dan het hart van mensen : gedichten
ROZIER, Gilles - Een liefde zonder verzet
RUSSELL, Gary - The lord of the rings : de reisgenoten : in beeld en ontwerp

SANDERS, Stephan - Liefde is voor vrouwen
SCHAFFER, Alfred - Schuim : gedichten
SCHILDERS, Ed - Het rijke roomse lezen
SCHILDERS, Ed - Vergeten boeken : literaire curiosa en rariora, boekenvrienden en bibliomanen SCHIPPERS, K. - Een liefde in 1947
SCHIPPERS, K. - Museo Sentimental
SCHWITTERS, Kurt - Merz : teksten uit de jaren 1919-1923
SEBALD, Winfried Georg - De emigrés
SEBALD, Winfried Georg - Naar de natuur
SERGEN, Karel - Ribbels : gedichten
SÉVIGNÉ, Madame de - Brieven
SIERMAN, Koosje e.a. - Adieu aesthetica & mooie pagina’s! : J. Van Krimpen en het schoone boek : letterontwerper & boekverzorger 1892-1953
SIMENON, Georges - Maigret en het geval Picpus
SLUIJTER, Pem - Roos is een bloem : gedichten
SMET, Marc De - Droom en doem : Vlaamse poëzie 1960-1985
SOMERSET MAUGHAM, William - De sterren en meer
SPILLEBEEN, Willy - Liefde, het enige : gedichten
STASSIJNS, Koen - Aanmaaktwijgen van een vuur : gedichten
STASSIJNS, Koen en STRIJTEM, Ivo van (samenst.) - Liefdes werk van 300 dichters uit de hele wereld
STEEGMANS, Richard - Ringelorend zelfportret op haar leeuwenhuid : gedichten
STEINER, George - Errata : een leven in onderzoek : autobiografie
STRIJTEM, Ivo van en STASSIJNS, Koen (samenst.) - Liefdes werk van 300 dichters uit de hele wereld
SUTZKEVER, Abraham - Groen aquarium & Dagboek van de Messias
SYRUS, Publilius - Romeinse wijsheden

TERRIN, Peter - De bijeneters
THEUNISSEN, Jeroen - Het einde : vertelling
TOORN, Willem van - Leesbaar landschap
TOPOR, Roland - De huurder
TROLLOPE, Anthony - Een autobiografie

UYLENBROEK, Willem - Let me entertain you : 1000 x Robbie Williams

VALENTE, José Angel - De compositie van de stilte : een keuze uit de gedichten
VERWEY, Gerlof - James Boswell : de geniale dagboekschrijver
VIAN, Boris - Het schuim der dagen
VIDAL, Gore - Myra Breckinridge
VONNEGUT, Kurt - Man zonder land
VROOMKONING, Victor - Ijsbeerbestaan : gedichten

WASKOWSKY, Riekus - Verzamelde gedichten
WAUGH, Evelyn - Een handvol stof
WERNER, Markus - Helling
WIENER, L. H. - Allemaal licht en warmte
WIERINGA, Tommy - Joe Speedboot
WOERDEN, Henk van - Ultramarijn

ZAGAJEWSKI, Adam – Mystiek voor beginners
ZAPPA, Frank - Het echte Frank Zappa boek
ZELTNER, Ernö - Sándor Márai : een leven in beelden
ZWAGERMAN, Joost - Zes sterren
____

De conventie van je eigen kring

Het is niet moeilijk om in de ogen van de wereld onconventioneel te zijn als dat non-conformisme slechts de conventie van je eigen kring is. Het geeft je dan een buitensporige hoeveelheid eigendunk. Je hebt het zelfbehagen van de moed zonder het ongemak van het gevaar. Maar de behoefte aan goedkeuring is misschien het diepstgewortelde instinct van de beschaafde mens. Niemand verschuilt zich sneller achter de deugdzaamheid dan de onconventionele vrouw die zich heeft blootgesteld aan de slingers en pijlen van het gekrenkte fatsoen. Ik geloof de mensen niet die beweren dat ze zich geen sikkepit aantrekken van de mening van hun medemens. Het is de bravoure van de onwetendheid. Ze bedoelen alleen dat ze geen verwijten duchten voor pekelzonden waarvan ze overtuigd zijn dat niemand die ontdekt.
Maar deze man trok zich werkelijk niets aan van hoe de mensen over hem dachten en daarom had de conventie geen vat op hem. Hij was als een worstelaar wiens lichaam is ingevet, je kon geen greep op hem krijgen. De vrijheid die het hem gaf was een schandaal. Ik weet nog dat ik tegen hem zei: ‘Hoor eens, als iedereen deed wat u doet, werd de wereld onleefbaar.’
‘Wat een ontzettend domme opmerking. Niet iedereen wil doen wat ik doe. De grote massa is volmaakt tevreden met te doen wat normaal is.’
En één keer probeerde ik satirisch te zijn.
‘U gelooft kennelijk niet in de spreuk: Handel zodanig dat van elk van uw handelingen tot algemene regel verheven kan worden.’
‘Dat heb ik nog nooit gehoord, maar het is je reinste kul.’
‘Nou, het was wel Kant die het zei.’
‘Kan me niet schelen, het is je reinste kul.’
Bij zo’n man kun je ook niet verwachten dat een beroep op zijn geweten iets uithaalt. Je zou net zo goed om een spiegelbeeld kunnen vragen zonder spiegel.

uit: De sterren en meer - William Somerset Maugham

____

maandag 25 december 2006

Elk standpunt, inclusief het tegendeel ervan

Tussen gelijk hebben en gelijk krijgen ligt een wereld van verschil. Dat verschil bracht de redenaar voort, en met de redenaar de retorica. Maar terwijl de redenaar nog altijd actief is, is de leer der welsprekendheid inmiddels een vrijwel vergeten discipline, waaraan alleen het woord ‘retoriek’ nog herinnert. En wie tegenwoordig dat woord in de mond neemt, heeft daarmee zelden complimenteuze bedoelingen. Integendeel: ‘lege woordenpraal’, geeft de Van Dale als betekenis, en ‘bombast’.
Dat is een opmerkelijke neergang: tussen de klassieke retorica en de hedendaagse retoriek moet er iets grondig misgegaan zijn in de waardering van het gesproken woord: de kunst van het overtuigen wordt nu eerder gewantrouwd als de kunst van het misleiden.
Toch is dat wantrouwen tegen retorische vaardigheden bijna net zo oud als de retorica zelf. Het markeert zelfs min of meer de geboorte van de filosofie, in de persoon van Socrates, die de strijd aanbond met de zogeheten ‘sofisten’ – gehaaide redenaars, die graag demonstreerden hoe elk standpunt, inclusief het tegendeel ervan, overtuigend kon worden verdedigd. Die strijd draaide, zou je kunnen zeggen, om de vraag wat nu eigenlijk belangrijker was: gelijk hébben of gelijk kríjgen. Anders gezegd: ging het om de waarheid, of om de bijval van het publiek?
Onpraktisch als ze is, koos de filosofie voor de waarheid en veroordeelde zichzelf daarmee tot die uiterst vermoeiende exercities die ten doel heben onweerlegbare waarheden te formuleren. Dat heeft na een paar duizend jaar niet veel anders opgeleverd dan het inzicht dat de taal daar niet erg geschikt voor is. En zo trokken de sofisten, die meer vertrouwen hadden in de taal dan in de waarheid, uiteindelijk toch aan het langste eind: wat heb je aan je gelijk, als je het niet krijgt? Welk belang heeft de waarheid als je er niemand van kunt overtuigen? In de politiek, in de publieke opinie, in de literatuur en zelfs in de filosofie wordt de dienst uitgemaakt door woordvoerders die het beter, scherper of geestiger weten te zeggen dan hun tegenstanders. Het verwijt van retoriek mag nog zo terecht zijn, als die retoriek effectief is, staan de critici met lege handen te midden van het driftig applaudiserende publiek.

Redenaars van papier [fragment]
uit: Betoveringen : essays - Piet Meeuse

zondag 24 december 2006

Urnen uitzuigend

Maanzuchtig. Monomaan. Met minzaam mombakkes, maar mateloos
Eigenwijs. Echodichtende edelpapegaai, ellendig
Tam. Tandenknarsend type. Tuchtige tienermeisjes, teugelloos
Sensatiezwijn, slappe sater. Sardonisch, schrijnend, schraapzuchtig,
Urnen uitzuigend. Uitermate uilachtig. Uitzonderlijk
Eenkennig eigenheimer. Een engel? Eerder erbarmelijk.

Acrostichon [fragment]
uit: Woekering : gedichten - Erik Metsue

____

zaterdag 23 december 2006

Tafellezers en stoellezers

De Italiaanse schrijver Italo Calvino (1923-1985) heeft meer aandacht voor de uiterlijke omstandigheden.

U staat op het punt te gaan lezen… ontspan u. Concentreer u. Verjaag alle andere gedachten. Laat de wereld om u heen vervagen. Het is het beste de deur dicht te doen; in de kamer ernaast staat altijd de tv aan. Zeg de anderen meteen: ‘Nee, ik wil geen tv kijken!’ Verhef uw stem – anders horen ze u niet – ‘Ik zit te lezen! Ik wil niet gestoord worden!’ Misschien hebben ze u, met al dat lawaai, niet gehoord. Spreek luider, schreeuw: ‘Ik begin te lezen!’

Joyce Carol Oates (1938) heeft weer een ander aanbevelenswaardig advies:

Het ware te bewijzen dat lezen het meest hartstochtelijke, want het geheimste soort genoegen is. En dat het een genoegen is dat het beste ’s nachts gesmaakt kan worden: als een ideale vorm van slapeloosheid. Op dergelijke momenten, wanneer het lamplicht de pagina verlicht maar niet veel meer, is de wereld klein geschreven, verrukkelijk klein, en woorden, de stem van een ander, komen naar voren.

Kees Fens wijdde ooit een column aan de verschillende manieren waarop men bij zijn lectuur kan gaan zitten of liggen.

Er zijn tafellezers en er zijn stoellezers. De eerste groep heeft het ’s nachts het moeilijkst. De stoellezer die toch al een veel gezonder leven leidt dan die kromgebogen heremiet aan tafel, kan zijn fraaie situatie van overdag in bed enigszins nabouwen: met een verstelbaar hoofdeinde en wat kussens zit hij daar als in zijn leunstoel, het boek rustend in de handen. Laat de nacht maar duren. Hij kan het lang volhouden, mits de leeslamp op de juiste hoogte is aangebracht, wat meestal niet het geval is, en dan ontneemt hij zichzelf het licht. Het duurt niet lang of hij is zo diep gezakt dat hij lotgenoot wordt van de tafellezer: hij zoekt een houding en kan die niet vinden.
De tafellezer is van een zekere experimenteerlust niet vrij. Hij is begonnen met rechtop te zitten trok de knieën op en meende vervolgens een tafeltje te hebben. Het boek legde hij op de knieën. Zo’n tafeltje houdt het slechts korte tijd: er ontstaat kramp in de poten, het begint te wankelen en het boek gaat aan het schuiven. Maar wat de houding van het begin af onnatuurlijk maakte: hij kon zijn ellebogen niet kwijt en dus zijn hoofd niet laten rusten. Als de benen het al hielden, begon het niet ondersteunde hoofd los te hangen. Hij zag zich bovendien gedwongen scheef te gaan zitten, want hij zat met zijn hoofd in de lamp. Zelfs als hoofd en benen het hielden en het licht de pagina’s vond, voelde hij zich na zeer korte tijd ongelukkig: zijn armen hingen erbij. Nu had hij die kunnen gebruiken om het boek vast te houden, maar dat is hij niet gewend; anders zou hij waarschijnlijk een stoellezer zijn.

uit: Nooit alleen naar bed : de genoegens van het lezen - Herman Pijfers (samenst.)


____

vrijdag 22 december 2006

Iedere dag gekookte vagina in groene saus

Er is geen reden te twijfelen aan de geestelijke gezondheid van Van Gogh, die in zijn hele leven één keer zijn hand heeft verbrand en die verder alleen maar zijn linkeroor heeft afgesneden,
__en dat in een wereld waarin iedere dag gekookte vagina in groene saus wordt gegeten of de genitaliën van een pasgeboren baby, geranseld of mishandeld
__onmiddellijk nadat hij is weggerist uit de moederschoot.
__En dat is niet zomaar een beeld, maar een feit dat zich iedere dag opnieuw in vele vormen voordoet, over de hele wereld.
__En zo komt het dat het huidige leven, zo buitensporig als dat klinken mag, als vanouds blijft steken in ontucht, anarchie, wanorde, inertie, geestelijke abnormaliteit (want niet de mens maar de wereld is abnormaal geworden), in bewuste leugenachtigheid en ingekankerde hypocrisie, in lafhartige verachting voor alles wat karakter toont,
__in de acceptatie van een orde
__die slechts bestaat
bij de gratie van barbaars onrecht,
__in de georganiseerde misdaad kortom.
Het gaat zo slecht omdat het zieke bewustzijn er op dit moment geen enkel belang bij heeft om gezond te worden.
__Vandaar dat een afgestompte maatschappij de psychiatrie heeft uitgevonden, om zich te wapenen tegen de naspeuringen van sommige superieure geesten, wier visionaire gaven haar verontrusten.

uit: Van Gogh : de zelfmoordenaar door de maatschappij - Antonin Artaud
____

donderdag 21 december 2006

Probeer te denken aan iets waar niets is

‘Nu, luister goed, Fatma. En denk erom, niet boos worden. God bestaat dus niet, dat heb ik al vaak genoeg gezegd. We kunnen zijn bestaan immers niet experimenteel aantonen. Dus, alle godsdiensten, die immers het bestaan van Goddelijkheid als uitgangspunt hebben, zijn loze poëtische hersenspinsels. Dus zijn uiteraard ook Hemel en Hel hersenspinsels. Welnu, als er geen hemel en geen hel zijn, dan is er dus ook geen leven na de dood. Kun je het nog volgen, Fatma? Als er dus geen leven na de dood is, dan betekent dat dat het leven van hen die doodgaan verdwijnt, samen met de dood, en zonder een spoor achter te laten. Laten we deze omstandigheid ook eens beschouwen vanuit het oogpunt van de dode: Waar is de dode dan na zijn dood, want hij leefde immers voordat hij stierf. Ik heb het niet over zijn lichaam. Nee, waar zijn zijn bewustzijn, zijn gevoel, zijn geest? Nergens. Ze zijn niet, snap je Fatma, ze zijn in iets dat niet is, ze zijn bedolven onder dat wat ik het Niets noem; ze zien niemand meer en niemand ziet hen meer. Begrijp je nu, Fatma, hoe verschrikkelijk dat Niets is? Hoe meer ik eraan denk, hoe meer ik word bevangen door een onbeschrijfelijke angst: Ach, heer, wat een vreemde, huiveringwekkende gedachte is het toch. Als ik het me probeer voor te stellen rijzen mijn haren me te berge. Probeer jij het je ook maar eens voor te stellen, Fatma; probeer te denken aan iets waar niets is; geen geluid, geen kleur, geen geur, geen gevoel, aan iets dat geen eigenschappen heeft en dat zelfs in de leegte geen plaats heeft. Je kunt het je niet voorstellen, hè? Iets dat geen plaats inneemt in de ruimte, dat niet gezien en niet gevoeld kan worden. Het is alleen een eindeloze duisternis, maar het is er zich niet eens bewust van dat het een eindeloze duisternis is. Vandaar de duistere dood, en het Niets is nog erger dan dat. Ben je bang, Fatma? Onze lijken verrotten in de gruwelijke en ijskoude stilte van de aarde, en de lichamen van de oorlogsslachtoffers, doorzeefd met kogels, met verbrijzelde schedels en uiteengespatte hersenen, met bloedende oogkassen en stukgereten monden, die lichamen liggen te ontbinden tussen de rokende puinhopen en hun bewustzijn, en ons bewustzijn ook, is bedolven onder het eindeloos duistere Niets, als blinden die hals over kop in een bodemloze kloof vallen en tot in de eeuwigheid blijven doorvallen zonder dat ze begrijpen wat hun overkomt, nee, erger nog dan dat.’

uit: Het huis van de stilte - Orhan Pamuk


____

woensdag 20 december 2006

Het stamgebied is uitgekamd

Het stamgebied is uitgekamd, de verzadiging nabij.
De verzadiging van die en die en die.
Met dank voor de hulp. Geen knip voor de neus waard
zonder bijsluiter, zonder bewijslast, als je maar even lacht
hoor je de camera’s flitsen: een gebed zonder eind.
Droegen we al een geheim met ons mee,
dan hebben we het doorgeslikt als medicijn.
Geen witwaspraktijken, geen valse namen,
we opereren zonder steun van achterin. Zuiver,
soeverein, tot we stram en buiten adem zijn.
We kennen elke straat, elk plein, elk vergezicht,
gevoelig voor een compliment van de bewakers.
Op commando spring je door een hoepel, maak ik je wakker
als ik sta te grommen voor het hek en rammel aan het slot.
Eén advies: laat ons met rust – is dat te veel gevraagd?
Waar komt dat applaus vandaan?

Wakker, 2 [fragment]
uit: Schuim : gedichten - Alfred Schaffer

____

dinsdag 19 december 2006

Krachtens een soort aartsvaderlijk prerogatief

Mutton was als een lokaas dat in een vijver wordt gegooid waar in geen dertig jaar is gevist. Onmiddellijk nadat hij het Genootschap had overgenomen, werd hij besprongen door jongeren die niet met hun ouders overweg konden maar wel behoefte hadden aan een volwassene in hun leven. Kinderen vertelden hem wat ze nog nooit aan iemand hadden verteld: dat hun vader zwaar dronk en hen sloeg. Ze kwamen bij hem met dromen die hij moest interpreteren. Ze stonden in de rij voor de deur van zijn kamer, wachten tot zij aan de beurt waren voor een persoonlijk gsprek, eronder gebukt gaand dat zij niet degene waren die de mazzel had met hem onder vier ogen te kunnen praten en in het besef dat zelfs hun vreugde als ze eindelijk in de werkkamer werden toegelaten de pijn van het lange wachten niet meer goed zou maken. Jan en alleman gebruikte drugs. Kinderen namen slokken uit de ginfles van hun vader en vulden die dan bij met water, gebruikten op de wc’s op school lsd, rookten fijngesneden bananenschillen, slikten de antihistaminen van hun ouders en de nitroglycerine van hun grootouders, werkten misselijkmakende hoeveelheden nootmuskaat naar binnen, vulden lege melkpakken met bier en dronken in het openbaar, bliezen wietrook in afzuigkappen of de absorberende isolatie van souterrainplafonds en gingen vervolgens naar de kerk. Drie jongens uit goede families werden in de kerk op heterdaad betrapt met een joint. Mutton zat urenlang bij een van de oprichters van het Genootschap die onlangs was ontslagen uit een psychiatrische kliniek, waar hij was opgenomen na een aanval van waanzin na overmatig lsd-gebruik, en trachtte diens woorden te volgen. Toen een meisje van het Genootschap Mutton vertelde dat ze op een feestje dronken was geworden en vlak na elkaar met drie jongens van het Genootschap naar bed was geweest, riep Mutton alle vier jongeren bij zich op zijn werkkamer en liet de jongens krachtens een soort aartsvaderlijk prerogatief alle drie hun excuses aanbieden. Een ander meisje, wier ouders haar aan de tand hadden gevoeld over de voorbehoedsmiddelen die ze in haar slaapkamer hadden gevonden, weigerde met hen te praten tenzij Mutton erbij was als bemiddelaar. Hij was deels peetvader en deels tovenaarsleerling en raakte betrokken bij het leven van steeds meer gezinnen.

uit: De onbehaaglijkheidsfactor : een persoonlijke geschiedenis - Jonathan Franzen

____

maandag 18 december 2006

Het was daarbinnen net de Vesuvius, of Herculaneum en Pompeï

Ik vloekte en schold en sloeg alle mogelijke smerige taal uit. Het kunnen vijf minuten zijn geweest, maar ook wel zeven, en ’t kunnen ook wel eeuwigheden zijn geweest, – ik weet het niet. Ik holde maar kriskras rond door die benauwde ruimte. De hele tijd hield ik een hand tegen m’n keel en ik smeekte mijn God mij toch niet te vernederen.
En tot Karatsjarovo aan toe kon mijn God mijn gebed maar niet verstaan, - de inhoud van het glas klotste nu eens ergens tussen m’n pens en m’n slokdarm, dan weer kwam de hele boel naar boven, dan zakte de zaak weer een eind naar beneden. Het was daarbinnen net de Vesuvius, of Herculaneum en Pompeï, het deed denken aan de saluutschoten op één mei in de hoofdstad van mijn land. En ik leed vreselijk en zond het ene gebed na het andere op.
En pas bij Karatsjarovo vernam mijn God m’n gebed en verhoorde het. Alles kwam tot rust en werd stil. En als bij mij de boel eenmaal stil en rustig is geworden, dan blijft het ook zo. Geloof dat maar. Ik koester hoge achting voor de natuur, het zou lelijk zijn de natuur haar geschenken en te retourneren… Ja.
Ik streek m’n haar een beetje glad en ging weer terug naar de coupé. De andere mensen keken me zo’n beetje onverschillig aan, met ronde ogen waar geen enkele uitdrukking in leek te liggen… Ik mag dat wel. Ik mag het wel dat de mensen in mijn land van die lege, uitpuilende ogen hebben. Dat boezemt me een gevoel van gerechtvaardigde trots in. Ik kan me wel voorstellen wat voor ogen ze dáár hebben. Waar voor geld alles te koop is:… dar heb je diep weggescholen, bijna onzichtbare, hebzuchtige en doodsbange ogen… Devaluatie, werkloosheid, verpaupering…. Daar kijken ze knorrig en wantrouwig en altijd en eeuwig ligt er iets bezorgds en gekwelds in hun blik – zulke ogen heb je in de wereld van Handje Contantje…
Nee, dan de mensen hier! Die hebben nog eens ogen! Ze puilen altijd zowat uit hun hoofd, maar er is geen spoor van gespannenheid in te bekennen. Volkomen gespeend van elk gezond verstand – maar wat een kracht! Wat een geestkracht!

uit: Moskou op sterk water - Venedikt Jerofejev

____

zondag 17 december 2006

Een bijna recent nummer van Playboy

Hij had geen remmen. En ook geen rijbewijs, dat wist ik zeker. Mijn vertrouwen in het communistische systeem en alles wat ik daar vaagweg mee associerde was niet van die aard dat ik zonder meer aannam dat een kameraad die de revolutie diende door de autobusverbinding Rijeka-Opatia te verzekeren ook over de kwaliteiten zou beschikken om dat te doen.
Nu hadden we in Joegoslavië wel met een verlicht soort collectivisme te maken, en waren er ook enkele hoopgevende tekenen van beschaving (in het station kon men een bijna recent nummer van Playboy kopen, op het terras ervoor bood ik mezelf een Campari Soda aan en in een Luna Park stond Tell Me van de Stones op de juke-box), maar de manier waarop de autobus die mij en Ann en nog wat verdwaalde reizigers door de hellingen voerde, kon alleen omschreven worden als totale Krieg. Het leek erop alsof de als Obersturmführer geklede buschauffeur alleen rust zou kennen als alle inzittenden van zijn toerismevoertuig in hun broek, of die van een ander, zouden hebben gescheten.
Ik besloot dan ook om van mijzelf de tolk te maken van alle angst die te lezen stond op de gezichten van mijn medepassagiers. Fransen, Belgen, Nederlanders, Duitsers, brave mensen die het allemaal goed meenden met de Joegoslaven, en net zo goed hun hard verdiend vakantiegeld in Spanje en Italië hadden kunnen opmaken.

uit: Liefde is doof : een verslag - Marc Didden


____

zaterdag 16 december 2006

Vanavond ga ik mijn gebedje in bed opzeggen

‘Mag ik een kaars?’
‘Nee. Ssst. Je moet gaan slapen.’
‘Mag de deur dan openblijven?’
Ze rolde zich tot een bal op, maar ze kon niet slapen. Overal in huis klonken voetstappen. Het huis zelf knarste en kraakte. Van beneden klonken luid fluisterende stemmen. Op een gegeven moment hoorde ze tante Beryl in lachen uitbarsten en even later hoorde ze Burnell luid trompetteren toen hij zijn neus snoot. In de hemel buiten het raam zaten honderden zwarte katten met gele ogen naar haar te kijken – maar ze was niet bang. Lottie zei tegen Isabel: ‘Vanavond ga ik mijn gebedje in bed opzeggen.’
‘Nee, dat kan niet, Lottie.’ Isabel was niet te vermurwen.
‘God vindt alleen goed dat je het in bed opzegt wanneer je koorts hebt.’ En dus zwichtte Lottie:

‘Voor ik slapen ga, o Heer,
Kijk welwillend op me neer,
Wil me hoeden voor het kwade,
Neem me op in Uw genade.’

En toen lagen ze rug aan rug, met billetjes die elkaar net raakten, en vielen in slaap.

Beryl Fairfield stond zich uit te kleden in een poel van maanlicht. Ze was moe, maar ze deed net of ze veel vermoeider was dan in werkelijkheid – ze liet haar kleren vallen en duwde met een loom gebaar haar warme, zware haar naar achteren.
‘O, wat ben ik moe – doodmoe.’
Ze sloot even haar ogen, maar haar lippen glimlachten. Haar adem ging in haar borst op en neer als twee wiekende vleugels. Het raam stond wijd open; het was warm en buiten in de tuin liep ergens een jongeman, donker en slank, met spottende ogen, op zijn tenen door de struiken; hij voegde de bloemen samen tot een groot boeket, sloop onder haar raam en hield het voor haar omhoog. Ze zag zichzelf vooroverbuigen. Hij duwde sluw lachend zijn hoofd door de glanzende, wasachtige bloemen. ‘Nee, nee,’ zei Beryl. Ze wendde zich van het raam af en liet haar nachthemd over haar hoofd glijden.

uit: Prelude - Katherine Mansfield


____

vrijdag 15 december 2006

In het gezinsverband van een zomeravond

Onder de geur van varkens in hun hok,
vergezicht op stal en schuur, zitten wij
in het gezinsverband van een zomeravond.
Ik mag niet buiten de wetten van het werk.

Geluid van weer een beest. De zon
is geweest en niets beweegt.
Iemand lacht mij uit niet in sprookjes
te geloven niet in een wereld van verschil.

Erwten peulen [fragment]
uit: Uit de verf van lucht : gedichten - Mark Bruynseel

____

donderdag 14 december 2006

Twistend om de beste brokken

Altijd weer is er de bekoring, die je
Letterlijk van lieverlede, zelfs
Schaamteloos verleidt, wreedaardig als de

Betoverende sirenen de zeelui met hun zang.
Eenieder kent de droeve afloop, het treurig
Einde van dit zich steeds herhalende verhaal:
Schrokkig verscheuren zij het vlees
Twistend om de beste brokken. Snakkend naar de
Extaze het levend aas langzaam te verteren in de
Nauwe holten met de bijtende sappen van hun

Onvermoede openingen. De driftig
Parende eenhoorn, blind van bronst,

Hijgt hulpeloos op het ritme van zijn
Uitzichtloze gebaren en graaft als een verwilderde god
Naar genot in de gekende geoliede grotten.

Parasieten die de falende fallus vernietigen
Ronselen rovers met monsterlijke macht: de
Overwinningsleuzen liggen in hun liezen
Ongelezen nog steeds, zeer
Intiem en ongelooflijk mooi

Het gruwelpaleis - Troisième Chambre "Les Vampires"
uit: De witte wandelaar : gedichten 1960-2000 - Tony Rombouts


____

dinsdag 12 december 2006

Direct zijn is vulgair

Schrijven dat is het heilige in de alledag, het kunnen onderscheiden tussen de saaie kiem, kern en architectuur en de emailleglans van naad, van knooppunt en van het netwerk dat ruist als vele sprinkhaanvleugeltjes. Men moet in die regio al lezend naar binnen gaan, als aangetrokken door een duizelende lokroep en zien hoe alle tekst met elkaar verbonden is. Ieder punt is een verwijzend knooppunt of uitgangspunt (naar keuze), vanwaar men zich naar voren toe kan bewegen in de tijd of terug want goed zien is zich herinneren. Schrijven is opera, theater, poppenkast, maskerade, overgang van zijn naar schijn, van man naar vrouw, van leven naar dood. Het is de ruimte van het ongehoorde, waar gifgas de lucht om te ademen verdringt, waar de adressant de zo noodzakelijk afwezige is, maar waar evenzeer de vereniging tot onbaatzuchtigheid een onderdak wordt geboden. Schrijven is het weet hebben van resonans, toespelingen, het verborgene, onzegbare, verzwegene. Direct zijn is vulgair. Het is ook de lust tot vernielen, de wil uit de wens geboren zich aan iets te kunnen vastklampen dat stevig is en bewezen. Schrijven is zonder nut of perspectief, het is een verslaving, een roesachtige dynamiek, het is zinloos maar de ware scribent kan het niet laten. Het is niettemin de luciditeit van een toxicomaan, een schalks delire, dat ook onder broeikasomstandigheden weet heeft van het dreigende dictaat der werkelijkheid; de dubbelzinnigheid van de drang om aan de vreselijke, liederlijke eenduidigheid te ontkomen in de overtuiging dat dit mogelijk is. Het is goed in deze ondoorzichtigheden niet alleen te zijn, verliefd te zijn op zichzelf als verliefde, maar niet alles in handen te geven van deze begeleider. Dat is schrijven. Veel grootmoeder, bedstee, bolus, papier en Hulu is hierin aanwezig.

uit: De gifmenger - Willem Brakman

____

maandag 11 december 2006

Ontferm U

Hemelse Vader
aanhoor Haar zoon
ontferm U
godverdomme
over Haar.

Bede [fragment]
uit: Ijsbeerbestaan : gedichten - Victor Vroomkoning


____

zondag 10 december 2006

Alleen door intellectuele gedachtewisselingen onderbroken routine

Rond middernacht werd het wat koeler; Fox drukte zich tegen me aan, hij ademde regelmatig. Soms werd zijn slaap verstoord door dromen; dan bewoog hij met zijn poten alsof hij een hindernis nam. Ik sliep erg slecht; mijn onderneming leek me steeds onzinniger, en tot mislukking gedoemd. Toch had ik er absoluut geen spijt van; ik had trouwens gemakkelijk rechtsomkeert kunnen maken, de Centrale Stad oefende geen enkele controle uit, gevallen van desertie werden over het algemeen toevallig ontdekt bij een levering of een noodzakelijke reparatie, en soms pas jaren later. Ik kon teruggaan, maar daar had ik geen zin: de eenzame, alleen door intellectuele gedachtewisselingen onderbroken routine die mijn leven uitmaakte en tot het einde toe zou hebben uitgemaakt, leek me nu ondraaglijk. Er had geluk moeten komen, het geluk van brave kinderen, dat gewaarborgd had moeten worden door de naleving van de kleine procedures, de geborgenheid die daaruit voortvloeide, de afwezigheid van pijn en gevaar; maar het geluk was niet gekomen en de gelijkmoedigheid had tot versuffing geleid. Van de zwakke genoegens van de nieuwe mensen draaiden de meest constante om organiseren en klasseren, om het samenstellen van kleine, ordelijke verzamelingen, het minutieuze, rationele verplaatsen van kleine voorwerpen; die genoegens waren onvoldoende gebleken. Bij het plannen van de uitdoving van de begeerte in boeddhistische zin had de Opperzuster erop gerekend dat er een afgezwakte, niet-tragische, louter op behoud gerichte energie zou blijven bestaan, die zorg zou blijven dragen voor de voortgang van het denken – een denken dat minder snel maar nauwkeuriger, want helderder was, een verlost denken. Dat verschijnsel was slechts in verwaarloosde mate opgetreden, en onze gedesincarneerde generaties waren juist overspoeld door droefheid, melancholie en kwijnende, uiteindelijk dodelijke apathie. Het duidelijkste bewijs van het echec was wel dat ik Daniel1 op het eind benijdde om zijn lot, zijn tegenstrijdige, heftige weg, de hartstochtelijke liefde die hem had beroerd – hoezeer hij ook mocht hebben geleden, en hoe tragisch zijn einde al met al ook was geweest.

uit: Mogelijkheid van een eiland - Michel Houellebecq

Houellebecqs meest ambitieuze romanproject tot nu toe valt jammerlijk tegen door zijn langdradigheid, de slordige psychologische tekening van de figuren, het ontbreken van overtuigende dialogen en de wat dilettantische doorwerking van een handvol takken van de hedendaagse wetenschap. Ook de al te verlekkerd beschreven erotische spinsels van Houellebecq gaan snel vervelen. Aldus wordt een briljant uitgangspunt - de uitgetelde hedendaagse westerse maatschappij, becommentarieerd door een cynische komiek en diens hoogwaardige klonen - verkwanseld. Mogelijkheid van een eiland is al met al toch een aanrader, om tijdens het lezen van de scherpste, meest geïnspireerde passages (en dat zijn er door de dikte van het boek natuurlijk nogal wat) te proeven wat een meesterstuk dit had kunnen worden met de medewerking van een vaardige eindredacteur.
Meer citaten uit dit boek bij Jan van Duppen.

____

zaterdag 9 december 2006

Mijn rustkoets

Ik voel mijn zanglust met mijn slaaplust groeien,
____Ik dicht met handen in de schoot;
En, zorgloos op het dons gelegen, strekt mijn rustkoets
________Mij tot een Pindus.

Hij, wien het luste, schrijve mijne vaerzen,
____Vergader’ ze in een bondel saam;
En keurig-fikse rijmlaars mogen ze berijmen,
________Schaven, en likken.

God Hypnus zing ik. Gij, o lieve zangster,
____o Vadsigheid! verhef de god,
Wiens blijde komst ik, in dees vreedzame ogenblikken,
________Geeuwend verbeide.

Van hier, van hier, navolgers! slaafs gebroedsel!
____Die in het zog der dichtren zwemt:
Wier pogen slechts bewijst dat eertijds dichters waren:
________Vlied, ongewijden!

Mijn zanglust [fragment]
uit: Gedichten - O.C.F. Hoffham


____

vrijdag 8 december 2006

Een zwarte toga en een paar ingelijste ogen

Zij zei dat hij een bord soep over haar uitgekeerd had en hij zei dat zij het botervlootje op zijn hoofd uitgesmeerd had maar de rechter bleef ernstig kijken, net als de koning en de koningin naast hem. Niets van wat zij tegen de rechter zeiden maakte ook maar enige indruk op hem. De rechter bestond slechts uit een zwarte toga en een paar ingelijste ogen. Het was alsof hij zelfs niet hoorde wat zij vertelden, zo was hij in zijn eigen gedachten verzonken. Die rechter sloeg nooit eens met zijn hamertje zoals in Amerikaanse speelfilms, dat hamertje bleef daar werkloos op zijn plankje liggen hoewel er een hoop onzin werd uitgekraamd en grove leugens en halve waarheden en er zaken werden verteld die er met de haren bij gesleurd waren en er eigenlijk niets mee te maken hadden todat de advocaat van zijn vrouw een briefje op tafel legde waarop K. zwart op wit geschreven had: ‘Laat mij a.u.b. met rust. Je bent een wolf in schaapsvacht!’ Dat was vast een schoolvoorbeeld van een grote belediging zoals vermeld in artikel 231 van het burgerlijk wetboek al mat het briefje slechts vijf bij tien centimeter en had hij het inderhaast neergekrabbeld als een bezetene die wanhopig riep naar zijn geliefde dat hij haar niet liefhad, zoals je op een deur bonkt die niet opengaat, altijd maar harder, eerst omdat ze je zouden horen daarna uit wanhoop om die onverschilligheid! En dankzij hem had zij nu een geschreven bewijs in handen waaruit ondubbelzinnig bleek dat hij haar had beledigd. En de bijziende rechter bekeek het briefje en hield het omhoog terwijl hij K. aankeek alsof hij naar gelijkenissen zocht tussen het verwarde handschrift en de haardos van de mens die voor hem zat en die tot zoiets in staat was gebleken.
‘Had u daar nog iets aan willen toevoegen?’ vroeg de rechter plots. Toen hij van wal wou steken, de toespraak zou geven die hij in gedachten al zo vaak geoefend had, een ‘I had a dream-speech’ die alles ten goede zou keren en waardoor de wereld eindelijk de onrechtvaardigheid zou zien waarvoor ze al decennialang blind was geweest, toen onderbrak de rechter hem terwijl hij nog maar één woord gezegd had en verzocht hem streng om te gaan staan als hij het woord tot het Hof richtte.

uit: De echtbreukeling - Herman Leenders


____

donderdag 7 december 2006

Een spoor van Russisch leder en van magnolia

Verdeeld over de cafés Quadri en Florian leefde een hele Europese gemeenschap haar laatste uren. En niet alleen Fransen. Franz-Joseph, de oude boom in het bos, zou alles meenemen in zijn val. De Oostenrijkse grote heren zakten naar Venetië af in afwachting van de bronsttijd van de herten, voordat ze weer noordwaarts gingen naar hun dozijn kastelen in Steiermark of in Tirol; gekleed in jaeger, met een mosgroene hoed op de leeghoofdige schedel in een loden cape, trokken zij een spoor van Russisch leder en van magnolia van de Borromeïsche eilanden, die het best werd nagemaakt door Pivert, de parfumeur van Napoleon III – zijn kinderen waren onze vrienden. Deze Oostenrijkers, Czernin, Palffy of Festetics, leverden in Reisekostüm de laatste hengsten aan het adellijke Europa: Rocksavage, Howard de Walden en Westminster in Londen; Beauvau of Quinsonas in Frankrijk; Florio of Villarosa in Italië namen hen ten voorbeeld, probeerden hen te evenaren in onverschilligheid, voornaamheid en verleidelijkheid. Je hoorde bij de Procuratie niet anders dan: ‘Ik kom uit Pommersfelden, van Caprorola, uit Arenenberg, uit Knole, uit Stupinigi, van Huis ten Bosch, uit Kedelston…’ Oostenrijk-Hongarije, niet één natie maar tien; het was de bloem van Europa; Engeland met zijn lords die al vier eeuwen lang trouwden met de dochters van kolenhandelaren, kon niet een tiende van de Oostenrijkse adelskwartieren op een rij krijgen; het Duitsland van Bismarck dat verrijkt was door de grote joden die zijn fortuin hadden gemaakt, Italië dat nog beefde voor de schim van Rakovsky, de Balkanstaten die naar Venetië kwamen om daar af te kijken bij wat Norpois ‘de gunstelingen van de Blauwe Salon’ had genoemd, hadden alleen maar oog voor Oostenrijk; Venetië leefde onder de schijnwerpers van de witte pakketboten van de Oostenrijkse Lloyd, de heersers van de Adriatische Zee, en het was Strauss om wiens deuntjes nog steeds verzocht werd als wij ’s avonds over de rechthoek van de piazza San Marco heen en weer liepen. Venetië behoorde bijna aan deze Oostenrijkers, door de Triple Alliantie, door het verbond van Italië met Wenen en Berlijn. Had Bonaparte niet als eerste in Campo Formio Venetië cadeau gedaan aan Oostenrijk, in weerwil van de richtlijnen van het Directoire?

uit: Venetiës - Paul Morand


____

woensdag 6 december 2006

Op het gebied van de spontaniteit was hij een dilettant

Daarna was hij op het plein voor het station langs twee automaten gelopen, fotoautomaten, en had ineens de behoefte gevoeld zichzelf weer eens op een foto te zien. Een van de cabines was bezet, het gordijntje was dicht, hij had plaatsgenomen in de andere, de munten ingeworpen en zich met wijd opengesperde ogen voorbereid op de flits, die hem toch nog had doen schrikken. De persoon in de cabine ernaast was bijna gelijktijdig met hem naar buiten gekomen, een leuke vrouw van rond de veertig, die niet gewoon naar hem had geknikt, zoals hij naar haar, maar naar hem had geglimlacht, heel erg naar hem had geglimlacht, hij was verlegen geworden en beginnen te zweten. Terwijl ze wachtten tot de foto’s ontwikkeld waren, hadden ze nog een paar keer oogcontact gehad, de blik van de vrouw was bijzonder warm en onderzoekend geweest, de zijne waarschijnlijk eerder schuw, hij had telkens als eerste weggekeken. Gesproken was er niet, hem had niets te binnen willen schieten, want een man van de wereld was hij nooit geweest. Op het gebied van de spontaniteit was hij een dilettant; zo had zijn vrouw het ooit letterlijk onder woorden gebracht, maar wel met begrip. Toen het vel met pasfoto’s eindelijk in het uitgiftebakje was gegleden, had hij opluchting gevoeld en het er meteen uitgehaald, het was nog warm en een beetje vochtig. Als door de bliksem getroffen had hij de foto’s bekeken en maar niet willen beseffen dat dit portret van een half debiele en gezochte misdadiger zijn eigen evenbeeld was. Zijn gezicht zoals de spiegel hem toonde, zag hij weliswaar als een schaduwrijk herfstlandschap, maar dat betekende nog niet dat hij het ondraaglijk vond. Het gezicht op deze foto was echter een bezoeking, en zijn ontzetting had haar hoogtepunt bereikt toen de vrouw, die hem blijkbaar had gadegeslagen en die inmiddels ook in het bezit van haar foto’s was, hem aansprak.
Loos drukte zijn sigaret uit en wiste met de zakdoek uitgebreid en zorgvuldig het zweet van zijn voorhoofd en uit zijn nek. Hij dronk. Hij dronk snel, net als de avond ervoor. Hij zag er niet uit als een misdadiger, het is me werkelijk een raadsel waarom, toen hij dat woord uitsprak, de gedachte door mijn hoofd schoot dat Loos zijn vrouw misschien had vermoord.

uit: Helling - Markus Werner

____

dinsdag 5 december 2006

Generaalsbeleid

Aegre reprendas quad sinas consuescere.
Wat tot gewoonte werd verdraagt niet snel kritiek.

Bonarum rerum consuetudo pessima est.
Gewenning aan geluk is extra schadelijk.

Breuis ipsa uita malis fit longior.
Het leven zelf is kort maar wordt door rampen langer.

Bonus uir nemo est nisi qui bonus est omnibus.
Je bent pas goed wanneer je dat voor allen bent.

Crebro ignoscendo facies de stulto improbum.
Door vaak vergeven maak je dwazen ook nog slecht.

Ducis in consilio posita est uirtus militum.
Soldatenmoed hangt af van generaalsbeleid.

Etiam capillus unus habet umbram suam.
Ook ’t allerkleinste haartje brengt een schaduw voort.

Heu quam multa paenitenda incurrunt uiuendo diu.
Leef je lang, dan maak je zeker vuile handen.

Inimicum ulcisci uitam accipere est alteram.
Je wreken op je vijand maakt je leven nieuw!

Improbe Neptunum accusat qui iterum naufragium facit.
Twéémaal schipbreuk? Geef Neptunus niet de schuld!

Locis remotis qui latet lex est sibi.
Wie leeft in het verborgene is eigen baas.

Metuendum est semper, esse cum tutus uelis.
Zit altijd in de zorg, dan zit je altijd safe.

Probus libertus sine natura est filius.
Een goede vrijgelaten slaaf is als een zoon.

Qui docte seruit partem dominatus tenet.
Een dienaar die zijn vak verstaat is deels de baas.

uit: Romeinse wijsheden - Publilius Syrus

____

maandag 4 december 2006

Verrukking rees in mijn gedachte op als een kathedraal

Ook ik had mijn avontuurtjes gehad, en nog wel vóór Charles. Ze waren er zelfs de oorzaak van dat ik hem nu en dan verwaarloosde. Dromen, page zijn, op mijn twintigste was ik eigenlijk nog groen en zelfs enigszins een knulletje. O, ik wist best wat van vrouwen verlangd wordt: ze hoeven niet enkel koninginnen te zijn. En toch, welke geheimzinnige schat verborgen deze schepselen, die zo verschillend waren van wat ik was en die zo elegant en verwaand op hun hoge hakken rondtrippelden? Welke krachttoeren zouden er nodig geweest zijn om ze te veroveren! Maar wat een verrukking dan! VERRUKKING rees in mijn gedachte op als een kathedraal. Of als mijn paard van Troje. Lelijk ben ik niet. Op straat ving ik hier en daar een glimlach op. Toch joegen ze me schrik aan. Ik had te veel pijn gehad van mijn koningin. Ik herinnerde het me nog en had er genoeg van. En dan de rondwarende duivel, de ziel die rein moet blijven, de vleselijke gemeenschap, een van de ergste doodzonden. Meneer pastoor had die gedachten zo goed samen te slapen gelegd dat je de andere wakkermaakte als je er één aanraakte.
En toen ontvlamde er plotseling iets. Plotseling? Dat bestaat, niet, maar ik werd me er op een abrupte manier van bewust. Dat overkwam me bij mijn ontvanger, toen ik op zekere dag in alle onschuld het geld natelde dat een belastingplichtige, een erg geparfumeerde jonge dame mij betaalde.

uit: Doodzonde - André Baillon


zondag 3 december 2006

Dit niemandsstrand

dit niemandsstrand,
dat achterover in verzinking
valt: licht jaagt zich in
tot lichaam en indrift.

beten vol zand, terwijl
die loze slagschaduw
mij in je dijen spant

slak omvat parel
in precieuze oester.

Vrouw met vrucht, 3 [fragment]
uit: Melksteen - Stefan Hertmans

zaterdag 2 december 2006

Alle lichten uit om te zien zonder gezien te worden

Urenlang bleef hij voor het raam zitten, alle lichten uit om te zien zonder gezien te worden.
Als bezeten toeschouwer woonde hij het defilé van de buren bij. Hij zag hen, mannen en vrouwen, zonder schaamte hun broek neerlaten of hun rok optillen, neerhurken, dan na de onontbeerlijke hygiënische gebaren hun kleren weer in orde brengen en aan de ketting trekken van de waterbak waarvan hij te ver verwijderd was om het geluid te horen.
Dit alles was normaal. Wat minder normaal was, was het wonderlijke gedrag van bepaalde personen. Deze hurkten niet neer, ze stroopten evenmin hun kleren af, ze deden niets. Trelkovsky sloeg hen minutenlang gade zonder bij hen een spoor van enige activiteit te bespeuren. Het was absurd en verontrustend. Het zou een ware opluchting voor hem zijn geweest al ze zich hadden overgegeven aan onbehoorlijke of obscene handelingen. Maar nee, niets van dit alles.
Gedurende onbepaalde tijd verroerden ze zich niet, trokken dan, gehoorzamend aan een onzichtbaar teken, aan de ketting en gingen weg. Er waren zowel vrouwen als mannen onder, maar het gelukte Trelkovsky niet hun gezichten te onderscheiden. Welke motieven konden iemand ertoe brengen zich aldus te gedragen? Een verlangen naar eenzaamheid? Een zondige begeerte? De plicht zich aan bepaalde riten te onderwerpen als ze allemaal tot dezelfde sekte behoorden? Hoe kwam hij daar achter?
Tweedehands kocht hij een toneelkijker. Die maakte hem niet wijzer. De individuen die hem intrigeerden, gaven zich werkelijk aan geen enkele activiteit over en hun gezicht was hem onbekend. Bovendien waren het nooit dezelfden en hij zag er nooit éen terug. Om er het zijne van te hebben rende Trelkovsky op een dag naar de w.c. toen een van deze lieden bezig was zich van zijn onbegrijpelijke taak te kwijten. Hij kwam te laat.
Hij snoof de lucht op: geen enkele geur. Geen spoor van vuil in het gat middenin de witte vierkante bak.
Nog verscheidene keren probeerde hij tevergeefs de bezoekers te betrappen. Altijd arriveerde hij als zij al vertrokken waren. Op een avond meende hij dat hem gelukt was. De deur ging niet open, die zat op het ijzeren haakje dat de intimiteit van de gebruikers garandeerde. Trelkovsky wachtte geduldig, vastbesloten zich niet te verroeren voordat hij gezien had wie er binnen was.

uit: De huurder - Roland Topor


____

vrijdag 1 december 2006

Tot nu toe ben ik de anderen ter wille geweest

Ik sta op en open het raam. In het bos zwiepen de bomen heen en weer. Hoewel de regen de kamer in geblazen wordt, zet ik geen stap achteruit. Morgen zal ik doen waar ik vandaag mijn zinnen op gezet heb. Tot nu toe ben ik de anderen ter wille geweest. Het is de hoogste tijd dat ik aan mezelf denk. Van opgeven en een ander pensioen zoeken is geen sprake. Alleen een slappeling slaat op de vlucht. Na het ontbijt zal ik mijn rugzak vastgespen en over de heidevlakten boven het dorp trekken en daarna naar het strand rijden om de avond te zien ondergaan in de zee. De omgeving is wondermooi, het eten eersteklas, de drank uitmuntend, mijn kamer luxueus, de zusters onzelfzuchtig en behulpzaam. Ik zal niet capituleren, zelfs al wordt Granville Manor door een regiment vrouwen als Selina overrompeld.

uit: Het belang van Edward Lindeman - Joseph Pearce

____