zondag 18 november 2007

Almagische vol menigvuldigheden

De roddels, rijmers met refrein, van die aan die en die en die.

Zijn vonnis, kerker – sagt kein einziges Wort.
Zijn al die hoonderzienders weg? – Zozeer niet meer als zijn nog nu niet waren toen niet ooit geweest.

Drie doodstrijduren; wade en kist, de urnen, tranenvazen, brikenbrak.
De putrefactie woedt, woedt, woedt. Maar hoor Alhoogste sprak.
Der vier gepruikte Rechteren oordeel; Olm die jammertopt vertelde Steen die kermt.
Ontsnapt! De jacht! Wordt overal ontmoet, maar waar?
Zij rust haar rennen niet, op zoek naar hem.

Annah almagische vol menigvuldigheden
haar mamafest zijn namental, gescharreld op de vaalt
toen, door die hen: een oud verhaal, wat blijft?
De letters lopend, aangegroeisels, oeraltalig:
Tunc cruxiferant –

Een hij? een zij? een dak? een stad? een knecht? een sloof?
burgers? grietjes? boek? een hartje? oogziek zwerver? (Neen!)
(de Vos, de Tros). En Shem? Hij schreef ‘t !
Die moedershem! Van elk en ieder kruimels kletskoek stal hij,
gegiste woorden uit zijn stinkend inktenvat, zijn vel zijn blad.

Vertel mij, o vertel mij alles over haar
Alivia Allaviaal Allaliviaal voor hem en hen.
De vlietende wateren van, henenwerende wateren van. Nacht.

Finnegans Wake, II [fragment]
uit: Innisfree : gedichten - Christine D'haen


____