maandag 31 december 2007

Wanneer je naar buiten zou verlangen

Weet je wel dat de grijsaards in het gesticht
Altijd met hun collecties bezig zijn,
Terwijl de wind met zaklantarenlicht
Roert in het afval op het binnenplein.

Kamers als cellen langs geschrobde gangen
Waarin de morgen plassen water giet,
Zodat, wanneer je naar buiten zou verlangen,
Men ogenblikkelijk je sporen ziet.

Tafeltjes waarop aardewerk zijn kringen
Drukte als stappen die je nooit meer hoort.
Gordijnen die je telkens uit moet wringen,
Een verre werkman die een leiding boort.

Weet je wel dat de grijsaards in het gesticht
Altijd met hun collecties bezig zijn.
Hun kosmos als hun postzegels zo klein,
Geweekt van brieven, niet aan hen gericht.

De verzamelaars
uit: Overgebleven gedichten - Willem Frederik Hermans

____

zaterdag 29 december 2007

Angstwrong, doodstoot

Het mark van brand, de pranger, rad en kat, wie wil
het? Hartsvanger in borst geplant, angstwrong, doodstoot.
Het bloed dat holt en stokt, stomheid en ademnood.
Het vlees van de ander eet ik, snerp het tot de gil.

Waarom de mens door mens betreden, doof door klacht
geklaagd, gesperd in dwang bemind te worden, buit
die vlucht naar lucht maar stamelend op bezwering stuit?
Zonder de liefde, hoe de studie van geslacht?

Zien van de ziel met nimmer-knippend ogenpaar,
boodschap: een die zich teelt in matrix van begrip,
cellen tot beeld herboren, wetenschap van één.

In eigen brein een vrouw, blikt vol verlangen naar
haar lichaam, elpenbeen en mannelijk uit haar rib.
Hij zij, hij is, hij glimlacht al waar leegte scheen.

Raadsel
uit: Merencolie : gedichten - Christine D'haen


____

vrijdag 28 december 2007

Alles eraan was buitenkant

Humboldt opende voor het eerst wijd zijn ogen. Een van deze in zwarte ether drijvende lichamen was de aarde. Een vuurkern, omsloten door een vast, een druppelsgewijs vloeibaar en een elastisch vloeibaar omhulsel, die alle drie leven in zich borgen. Zelfs diep onder de aarde had hij planten gevonden, die woekerden zonder dat er licht was. Voor de vuurkern van de aarde waren de vulkanen natuurlijke ventielen, de stenen korst was zelf weer door twee zeeën bedekt, een van water en een van lucht. Door beide liep een permanente stroom: zoals de beroemde golfstroom, die het water van de Atlantische Oceaan over de landengte van Nicaragua en Yucatán dreef, vervolgens door het kanaal van Bahama noordoostelijk tegen de Bank van Newfoundland en vandaar zuidoostelijk naar de Azoren, waarin men ook de oorzaak voor het wonderlijke verschijnsel van palmvruchten, vliegende vissen en soms zelfs levende eskimo’s in hun peddelboten kon zien, die telkens weer voor de Ierse kust werden aangetroffen. Hij had zelf in de Stille Oceaan een niet minder belangrijke stroming ontdekt, die langs Chili en Peru het koude water uit het noorden naar de keerkring voerde. In weerwil van alle protesten zijnerzijds, hij glimlachte half ijdel en half verlegen, hadden de zeelui hem toch de Humboldt-stroom genoemd. Net zo bewerkstelligden de stromen van de luchtoceaan, in beweging gehouden door fluctuaties in de zonnewarmte en gebroken door de schuine hellingen van de grote steenmassieven, dat de verdeling van soorten gewassen niet de breedtegraden, maar isothermisch gebogen lijnen volgde. Door dit stromensysteem werden de aarddelen tot een hechte eenheid verbonden. Humboldt zweeg even, alsof de komende gedachte hem diep bewoog. In holtes van de aarde alsook in de zee, en in de lucht: overal gedijden planten. Vegetatie was een bijzondere vorm van leven die voor iedereen zichtbaar was, zich in stilte en bewegingloos openbarend. Planten bezaten geen innerlijkheid, hadden niets verborgens, alles eraan was buitenkant. Open en bloot, met weinig bescherming, aan de aarde en omstandigheden gebonden, leefden zij niettemin én overleefden. Insecten daarentegen en dieren en mensen waren beschermd en gepantserd. Hun constante inwendige temperatuur maakte hen bestand tegen wisselende omstandigheden. Wie een dier zag wist nog niets, terwijl een plant aan eenieders blik zijn wezen openbaarde.
Nu wordt hij sentimenteel, fluisterde Daguerre.

uit: Het meten van de wereld - Daniel Kehlmann


____

donderdag 27 december 2007

Van werkelijk ieder woord eerst een definitie geven

Curverville, 12 augustus 1933
Ik heb in geen maanden meer iets geschreven. Ik ben zelfs gestopt met dit dagboek, waarin ik probeerde helderheid te scheppen in mijn gedachten en waarvan ik de laatste bladzijden bij herlezing maar slap vond, niet anders dan het herkauwen van wat ik eerder krachtiger heb verwoord. Ik kreeg de indruk dat het klimaat waarin mijn geest verkeerde, absoluut niet geschikt was voor het tot stand brengen van een kunstwerk. Mijn politieke geëngageerdhed werkte verlammend op het vrij functioneren van mijn denken; misschien zou ik in betere lichamelijke omstandigheden de kracht hebben gevonden om hoger te reiken, maar door voortdurende vermoeidheid geloofde ik dat ik een onmenselijke inspanning moest leveren ‘om zo’n zwaar gewicht te tillen’, en ik werd verpletterd door de enorme actuele problemen, die nog gecompliceerd worden door een groot aantal misverstanden die voortkomen uit onjuist begrip en conventionele beoordeling van de gegevens van die problemen. Die zouden, zo leek me, slechts afdoende opgelost kunnen worden wanneer alles eerst op losse schroeven werd gezet. Van iedere zin die ik zou hebben geprobeerd te schrijven, zou ik van werkelijk ieder woord eerst een definitie moeten geven, zodat het niets anders zou kunnen betekenen dan wat ik ermee bedoelde. De woorden vaderland en nationaliteit bijvoorbeeld, of individualisme en communisme hebben voor mij (in het vocabulaire dat ik voor mezelf voor eigen gebruik ontwikkeld heb om uit mezelf wijs te kunnen worden, en omdat gedachten toch niet zonder behulp van woorden geformuleerd en ontwikkeld kunnen worden) een gehele eigen betekenis. Daardoor ben ik ook in staat om individualisme en communisme met elkaar te combineren, en als ik schrijf dat ik een ‘welbegrepen’ communisme helemaal niet onverenigbaar vind met een ‘welbegrepen’ individualisme, bedoel ik mijn eigen opvatting van die begrippen. Ik moet dus uitleggen wat ik eronder versta. Zeker is dat ik geen egalitair communisme voor me zie, althans ik zie de gelijkheid van de omstandigheden alleen voor het begin, het zou alleen gelijke kansen voor iedereen betekenen, maar geenszins uniformiteit van kwaliteiten, uniformisering – die ik onmogelijk en ook zeer ongewenst acht – voor het individu en voor de massa. En een internationalisering van economische bealngen betekent in mijn ogen evenmin het afschaffen of miskennen van raciale of geografische bijzonderheden, de gelukkig onveranderlijke verschillen tussen culturen en tradities. Juist de diversiteit uit de symfonie; wensen dat alle instrumenten, het koper, de violen, de hobo’s en de klarinetten hetzelfde klinken, zou even absurd zijn als te denken dat elk instrument beter zou spelen als het zou loskomen van het gehele orkest en niet langer de maat zou houden. Of als men een ander beeld verkiest, noem ik het schip de Argo, waarop niemand iets van zichzelf bezat, en dat geleid werd door eensgezinde wil, die door alleen gedeeld werd, maar dat al snel vergaan zou zijn als iedereen dezelfde taak had uitgevoerd.
En omdat ik bovendien geloof dat de persoonlijkheid het sterkst naar voren komt wanneer ze zich wegcijfert, lijkt het me dat… alleen weifelachtige persoonlijkheden of mensen die denken zich alleen te kunnen profileren ten koste van een ander reden hebben zich ongerust te maken over het communisme.

uit: Het innerlijk blauw : een keuze uit het dagboek 1918-1939 - André Gide

____

woensdag 26 december 2007

Op ieder kaal hoofd een letter

Er stonden kinderen op straat die begonnen te lachen toen ze de kale Floddertje zagen met haar kale hond. Floddertje lachte zelf nog harder en riep: ‘Het is heerlijk koel!’
‘Dan gaan wij ook naar de kapper,’ zeiden de andere kinderen. De kapper kreeg het druk.
Na een uurtje stonden er tien kale kindertjes en een kaal hondje op straat.
‘Ik weet wat!’ zei Floddertje. Ze nam een tekenstift en tekende op ieder kaal hoofd een letter.
Eén jongetje kreeg een letter N.
En één meisje een letter W.
En zo kregen ze allemaal een letter. Floddertje zelf ook, terwijl Smeerkees werd versierd met een groot uitroepteken. Eerst kon niemand zien wat het betekende, want alle kinderen liepen door elkaar. Maar toen gingen ze netjes op een rij staan.

En je zag dit: WEI IJSEN EIS!

Alle mensen op straat bleven staan om te kijken.

uit: Floddertje - Annie M.G. Schmidt


____

Iets wat zich haast, maar zuiverder

Er zingt een vogel in een kooi, een dunne tocht van weelde.
Een man bekijkt de straat voorzichtig.
‘De wolken zitten los vandaag. En op de bruggen wordt gewaaid.’
Zijn droom: het meisje achter het etalageraam, haar hand
aan de taartschep, suikerzoete vingers, alles mag vandaag,
ogen onbewogen starend, het schuifelen van het schepje.
Alsof de allereerste keer hij getroost in zijn verlangen,
even op een dag, eind van het seizoen,
hij meelacht als de wind komt, de aangekondigde, een lange
schaduw boven de stad. Zij, het meisje aan het raam,
alleenstaand, draaiend aan de plateaus, appelgebak, tilt
haar hakken op, zweeft voorbij.
Iets wat zich haast, maar zuiverder, iets alleen uit licht.

Etalage
uit: De trein loopt prachtig binnen : gedichten - Frans Budé

____

dinsdag 25 december 2007

Het centrum eist tijd en precisie

Een gedicht is nooit anders dan nieuw.
Als een vrouw die je morgen pas kent.

Je maakt licht of anders moet je het
doven, begint bewust bij het hoofd
ofwel ga je ondersteboven liggen.

Het centrum eist tijd en precisie
om op- en afritten, voorkeurswegen,
stopsignalen en een misschien niet

verboden tunnel te verkennen. Als
woorden eindelijk gaan hijgen, opent
het strand zich om het hoogtij binnen te halen.

Hoogtij
uit: Bijna postuum : gedichten - Pieter Aerts

____

Pas nadat ze weggeschoten zijn denken ze aan tijden, stijl en vlucht

Deze springers doen een leven
eventjes,
in tien, elf twaalf seconden.
Bovenaan de schans
staan ze verwonderd
op een zuigeling te lijken:
met nog veel te grote ogen kijkend
naar hun kansen,
ongeduldig dansend,
want ze willen groter worden,
glijden –
pas nadat ze weggeschoten zijn
denken ze aan tijden, stijl en vlucht –
maar voilà! daar gaan ze! in de lucht!
de ene zweeft,
de ander hannest,
maar uiteindelijk landt iedereen met
beide benen op de grond.

Dan wordt het koud.
Plotseling oud,
blijkt er nog tijd om één keer
om te kijken (hoe sterk was mijn sprong?).
Dan zijn ze gedwongen
de piste te verlaten.

Maar leven is een boog:
de springers klimmen
aan de achterkant opnieuw omhoog,
van dood genezen.

Reïncarnatie
eindelijk bewezen.

Garmisch-Partenkirchen
uit: Aanhalingstekens : gedichten - Edward van de Vendel

____

maandag 24 december 2007

De kern van rauwe eer

De eerste tekenen werden niet herkend. Toen de geruchten over onlusten in de Campagna tot ons doordrongen, was het of de oude bloedwraak slechts in omvang was toegenomen, maar alras vernam men dat deze door nieuwe en ongebruikelijke trekken werd gekenmerkt. De kern van rauwe eer, die het geweld had verzacht, was teloor gegaan; slechts de onmenselijke daad restte. Men kreeg de indruk dat vanuit de wouden verspieders en agenten waren binnengedrongen in de stammenbonden, om hen over te halen tot dienstverlening aan vreemden. Op deze manier verloren de oude vormen van hun zin. Van oudsher bijvoorbeeld had er geen twijfel bestaan, wanneer op een kruispunt van wegen een lijk werd gevonden, met de tong door een dolk gespleten, dat hier sprake was van een verrader die het slachtoffer was geworden van wrekers die zijn spoor waren gevolgd. Ook na de oorlog kon men doden met dergelijke verminkingen aantreffen, maar voortaan wist iedereen dat het ging om mensen die ten prooi waren gevallen aan zuivere wandaad.

uit: Op de marmerklippen - Ernst Jünger


____

zondag 23 december 2007

Naar de maan door megafoons

Het probleem met de blues, die versleten akkoorden
weten geen van drieën wat ze met ons moeten doen. Dolle honden
blaffe oude woorden naar de maan door megafoons,

vingers haken zich tot op het bot in de gitaren
die bij elke man op zolder staan, verroeste snaren,
stof op chroom, voor eeuwig vals en met geen tang te keren,

dromend van een zomeravond om de zaken recht te zetten:
weer twintig zijn, een kroeg die wijkt wanneer je binnenkomt,
spelen in fluwelen spots als in de branding, als een rots –

maar de blues stampt onweer in de kelders van de stad,
twaalfmatig traprad van lijden dat maalt om zijn as zonder einde
en dát, meneer, is het probleem met de blues.

Bluesroute
uit: Het ging over rozen : gedichten - Ingmar Heytze


____

Demonenkiller, tienarmig, rijdend op een leeuw

Senne schudde het hoofd. Hij las over Ganesja’s moeder, Parvati, en over de schepping van haar kind in de badkamer. Pittig detail, beslist relevant voor Rebecca: de badende Parvati wou vooral een wacht om Shiva, haar hitsige echtgenoot, uit de buurt te houden. Shiva, bezeten van zijn vrouw. Senne las verder, over de verschillende verschijningsvormen van Parvati. Iets als de avatara’s van Vishnu. Hij zuchtte. Hij wist totaal niets af van hindoeïsme. Hij zocht Parvati op en sprak de naam traag en voorzichtig uit. Shiva’s gemalin kon ook Uma heten: de vriendelijke en goedhartige. Als trouwe echtgenote heette ze Sati, en als Kali was ze de grimmigheid in persoon. En dan was er Durga: demonenkiller, tienarmig, rijdend op een leeuw. Er stond een miniatuur bij van Durga. Een afzichtelijke tronie, druipend van bloed, en omhangen met doodskoppen. Krioelende slangen in de achtergrond. Vrouwennamen eindigen op a of i, dacht Senne. Durga, Parvati, Rebecca, Miranda, Valerie. Durga had de buffeldemonen verslagen. Zoiets als de minotauros? Archetypen in de wereldreligies, Rebecca had het al aangegeven: mensen werden gemaakt van ribben of huidschilfers. Rebecca was geen idioot. Gesjoemel met hoofden, met kinderen. Judith, Halewijn. Nederdalingen, vleeswordingen. Beloftes in verband met eerste levende wezens die je ontmoet. Kon een olifant zijn, maar ook je eigen dochter. Zie Oude Testament, zie Jefta: zijn door Vondel bewerkte lotgevallen hadden ze gezien in de Amsterdamse Stadsschouwburg – een initiatief van Miranda’s moeder.
Jefta moest zijn dochter offeren.
De waterstraal in de badkamer klonk minder hard.
Senne keerde terug en kleedde zich uit. Hij draaide de kranen dicht en stapte over de rand. Er klonk een geluid als van zeemleer op glas, toen hij zich neer liet schuiven. Hij wou zijn ogen dicht doen, maar zag het pakje brieven op de radiator. Hij reikte voorwaarts, kon er net bij. Hij opende een brief, begon te lezen. Onder zijn linkerduim vervloeide de inkt tot een mauve vlek. Hij vouwde een tweede brief open. Hij las. Hij las een derde en een vierde brief. Er waren er zeven. Hij had groeiende boosheid en wrevel verwacht maar die kwamen niet. Uiteindelijk scheurde hij alle brieven in stukjes, en gooide die naast zich neer op de vloer. Hij liet met zijn armen in het water zakken, het voelde alsof hij dat al veel eerder had moeten doen. Hij sloot zijn ogen, en ook dat leek het enig mogelijke.

uit: Vreemde vogels - Guido van Heulendonk


____

zaterdag 22 december 2007

Niet ophouden de jonge dingen van uw jonge leven belangrijk te vinden

Ik ben erdoor geroerd dat u zich ermee bezig wilt houden, maar u mag door deze verschrikkelijke dingen niet het plezier in het leven verliezen. U dient zich een mening te vormen daaromtrent, maar u moet eraan denken dat u zelf belangrijk bent, dat uw leven belangrijk is, en u mag ondanks deze feiten niet ophouden de jonge dingen van uw jonge leven belangrijk te vinden, vermaande Birer mij.
Neem me op in je leven, dacht ik, ik wil deze weg niet alleen gaan, ik ben bang.

uit: Lange afwezigheid - Brigitte Schwaiger

____

vrijdag 21 december 2007

Ik ben toen op een haartje na van het koord gevallen

Daar, waar de jodensteeg op een pleintje uitkomt, was er op een dag een koord van dak tot dak gespannen. Er kwam een man bij Ephraim, gekleed in tricot met flonkerende lovertjes. Hij had een zoon bij zich, een knaap van Sigi’s leeftijd, maar zo klein en tenger, dat hij er als een kind uitzag. Hij was helblond en zijn ogen hadden een vreemde, lege uitdrukking.
‘Daar zijn wij weer, Ephraim, mijn vriend.’
De koorddanser maakte een buiging, alsof de man, die voor hem stond, een koning uit het morgenland was.
‘Kent u ons nog? Wij waren hier tien jaar geleden, Alberto ging toen voor het eerst op het koord. Nu is hij een van de bekendste artiesten. Wij komen nog maar zelden in kleine steden. Mijn zoon kreeg echter heimwee naar de jood Ephraim. Hij is vergeten dat koorddansers zich alleen in de lucht thuis moeten voelen.’
Ephraim, die de blauwe tovenaarsjas droeg, boog nu ook: ‘Het is mij een eer dat mijn vrienden zich mij nog herinneren. Jouw zoon, -- hij staat dichter bij God dan een van ons.’
‘Het is niet nodig daar zo de nadruk op te leggen.’
De vreemde knaap zei waardig: ‘Dat weet ik toch al lang.’
Hij kromp ineen toen een duivenzwerm zich in de lucht verhief.
‘Het zijn geen raven,’ troostte zijn vader. ‘Mijn zoon is bang voor duiven. Wel, als dit zo blijft moet hij dit jaar maar niet meer op het koord. Hij moet dan maar naar de toneelschool, dat is altijd zijn liefste wens geweest.’
Alberto straalde: ‘Dit jaar nog!’
En wederom vlogen de duiven met jubelende wiekslag door de koele herfstlucht.
‘Zoveel vogels zijn er ook in de stad aan de Inn. Ik ben toen op een haartje na van het koord gevallen. Wij zullen de lui hier vragen of zij de duiven zolang even willen opsluiten. In het voorjaar, wanneer er gezaaid is, moeten zij dat toch ook doen.’
‘Ja, als het om zaad gaat,’ zei Sigi. ‘Voor koorddansers en joden doen zij niets.’
‘Duim voor me.’
Sigi zag er als een duistere engel uit.
‘Alberto,’ zei hij, ‘jouw lot zal ook het mijne zijn.’

uit: De Jodensteeg - Martha Saalfeld

____

donderdag 20 december 2007

Zo klonk dicht bij mij de naam Gilberte op

- Gilberte, kom hier, wat doe je daar! riep de scherpe bevelende stem van een dame in het wit die ik niet gezien had en naast wie een eindje verderop een heer in een licht zomerpak stond die ik niet kende, en die mij met lichtelijk uitpuilende ogen aanstaarde; het meisje hield plotseling op met glimlachen, nam haar schop op en verwijderde zich zonder zich naar mij om te draaien, met een gedweeë, gesloten en achterbakse uitdrukking op haar gezicht.
Zo klonk dicht bij mij de naam Gilberte op, mij geschonken als een talisman die het mij misschien mogelijk zou maken eens degene terug te vinden die hij, uit wat een moment tevoren nog maar een vaag beeld geweest was, tot een werkelijk persoon gemaakt had. Zo ging hij langs mij heen, over de jasmijn en de violier, scherp en koel als de druppels uit de groene tuinslang; hij vulde en iriseerde de zone van zuivere lucht waar hij doorheen ging – en die hij isoleerde – met het mysterie van het leven van degene die hij voor de gelukkige wezens die met haar leefden en reisden, aanduidde; onder de roze doornstruik, ter hoogte van mijn schouder, ontvouwde hij de essentie van een voor mij zo smartelijke vertrouwelijkheid met haar, met het onbekende van haar leven waarin ik geen toegang zou hebben.

uit: De kant van Swann - Marcel Proust

____

woensdag 19 december 2007

Van formica en schrootjes

Aan de weg tussen Beaulieu-sur-Dordogne en Tulle, in het departement Corrèze, ligt een benzinestation dat die naam nauwelijks waard is. Het betreft twee oude pompen, een verroest uithangbord van Total en een café aan huis.
Het café, aan de ene kant grenst het aan de woonkamer en achter de bar staat de deur naar de keuken altijd open – daar speelt een oude radio –, bestaat uit genoemde bar, meer een barretje, van formica en schrootjes, vier kloeke tafels met ieder vier gammele stoelen en aan de muur een grote klok van Cinzano die stilstaat. Het is hier altijd tien voor vijf, een mooi tijdstip en zo goed als ieder ander.
Gisteren stonden aan het barretje twee mannen. De een was een jaar of zestig en leek sprekend op Piet Römer, alleen dan zonder hoed, de ander was jong en mager, met dun zwart haar en grote gele tanden. Zijn bemodderde overall slobberde om hem heen.
Achter de bar stond de vrouw die de boel uitbaat. Zij is een jaar of veertig, strak geblondeerd en altijd gekleed in een legging met pantermotief en een dikke, bruine coltrui. Ondanks dat maakt ze een kouwelijke indruk.
De mannen bespraken de politiek, en ze deden dat in het dialect van de streek dat zelfs voor veel bewoners onverstaanbaar is. Het is bovendien een taal met een beperkt idioom, tenminste – je hoort steeds dezelfde klanken.
Veel oe-oe-oe.
Af en toe kwam dus de naam Chirac voorbij, en dan die van Le Pen en daaruit kon je opmaken waar de heren het over hadden. In het geval van Chirac was het meestal Piet Römer die aan het woord was, en Le Pen kwam vooral voor in de mond van de grote, gele tanden. Je zou verwachten dat het andersom was, maar niet dus. Piet Römer heeft hier geen aanhang.
De discussie was niet wat je noemt verhit. Het leek meer op de gedachteloze uitwisseling van standpunten. De bemodderde jonge boer sprak zijn zinnen, oe-oe-oe-oe-oe, Piet Römer keek afwachtend in zijn bierglas en als hij aan de beurt was, maakte ook hij de bekende geluiden.
Soms deed de vrouw achter de bar een duit in het zakje. Dit was in de vorm van en smalende lach. Eén keer deed zij met haar handen voor hoe groot de neus van Chirac was en hoe precies die aan het presidentiële gezicht hing. De mannen moesten daar om lachen. Ook in Frankrijk boffen politici maar dat hun arena geen beautycontest is.

Politiek [fragment]
uit: De Franse slag - Martin Bril


____

dinsdag 18 december 2007

Ellebogend

Een man met een rieten stok die met een gekleurde pluim bekroond wordt, houdt me tegen. Hij kijkt zowel streng als vermoeid en vraagt iets in Farsi. Ik leg hem uit dat ik toerist ben en diep onder de indruk van het heiligdom. Hij schudt niet begrijpend zijn hoofd.
‘Farsi, Farsi,’ zegt hij.
Een tweede bewaker schiet te hulp. Een magere, ziekelijk bleke man met koortsige ogen en van kop tot teen in het zwart gekleed. In het Engels vraagt hij of ik gekomen ben om te bidden. In een flits bedenk ik dat ik me in een belangrijk sjiitisch heiligdom bevind. Neen zeggen klinkt hier erger dan een vloek. Ik knik voorzichtig ja.
‘Follow me.’
Met mijn schoenen in de hand loop ik achter de doodgraver een lange gang in, ellebogend want er heerst een gewriemel van gaande en komende mannen. Ik krijg geen gelegenheid om rond te kijken, zo druk is het. Als ik niet oppas struikel ik over mannen die op de grond zitten te lezen of luidop bidden. Alle zijvertrekken zijn afgeladen vol met biddende mannen. Hun monotoon gemurmel vult de ruimte als een dikke vloeistof waar ik me doorheen worstel. Zodra iemand zijn plaats verlaat dirigeren bewakers met pluimstokken een nieuwkomer naar de vrijgekomen plek. Er hangt een penetrante geur van mensenzweet, zweetvoeten, stof, schimmel – de geuren van een nooit verluchte turnzaal waar jarenlang jonge lijven getranspireerd hebben. Ik voel me vreemd zweverig, alsof ik door een droom loop.
Ik wurm me uit het gewriemel vrij en blijf tegen een muur staan kijken. Er hangen reusachtige kristallen luchters die zeeën van licht verspreiden. Wanden en plafonds zijn bedekt met spiegelfragmenten. Duizenden, honderdduizenden spiegeltjes moeten dat zijn. Ze veroorzaken een hallucinant effect, te meer daar de ontelbare lampen in de spiegeltjes miljoenvoudig weerkaatst worden. Het zou ontzaglijk mooi zijn als het niet zo goedkoop en kitscherig was. En tegelijk is het bedwelmend, hypnotiserend. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.
Ik wandel verder de gang in, beter gezegd, ik laat me met de stroom meedrijven, móét de stroom wel volgen, ik ben onderdeel van een smeuïge, langzaam vorderende brij mensenlijven. De menigte is zo compact dat ik mijn armen niet meer kan bewegen, ik sta in mensen ingeblikt.
Even verder zie ik boven de hoofden tralies uitsteken. Honderden handen strekken zich naar de tralies uit om ze aan te raken. Een hallucinant beeld, al die grijpende handen. Waarschijnlijk het graf van een of andere martelaar. Sjiieten hechten niet veel belang aan heiligen, het martelaarschap echter staat heel hoog aangeschreven.
Mannen citeren luidop verzen, huilen van ontroering, kussen met verbazende overtuiging deurstijlen, zitten met geheven armen en gesloten ogen luidop te bidden. Ineens verheft een man in extase zijn stem, hij schreeuwt iets boven het ruisende gemurmel van de duizenden stemmen. Een sombere golf van bronzen stemmen antwoordt. Er kruipt een rilling over mijn rug.
Ik probeer dichter bij de tralies te komen, wring een beetje tegen de stroom pelgrims in, meer naar de zijkant. Een van de pluimstokken krijgt mijn gemanoeuvreer in de gaten, maakt een waarschuwend gebaar naar me. Ik knik geruststellend. Zijn blik blijft me volgen.
Ik ben intussen toch al tot op anderhalve meter van de tralies genaderd. Ik ga op de tippen van mijn tenen staan, zo kan ik over de koppen kijken.
Er gaat een schok door me heen. De kleurenfoto’s in de busstations… Dit is het Heilige Schrijn zélf! In wachtzalen van busstations hangen mooi ingelijste kleurenfoto’s van het Schrijn. Dit is het!
Het grafmonument van Emam Reza is weinig spectaculair, een plompe constructie op een geaderde grijswitte marmervloer. De zijwanden bestaan uit een dicht traliewerk in glanzend metaal dat er als zilver uitziet. Op de hoeken staan bosjes kunstbloemen. Het zware, pompeuze marmerdeksel van de tombe ziet er als een dikke matras uit.
Langzaam, als half gestolde lava, vloeit de stroom gelovigen voorbij. Mannen knielen in aanbidding, fluisteren, zingen, murmelen in religieuze extase koranteksten. Ontelbare handen reiken naar de tralies, willen het graf aanraken. En het licht glanst en weerspiegelt ontelbaarvoudig versplinterd in de spiegelfragmenten van wanden en plafond.

uit: Tussen gratie en gruwel : een Iran-reis - Gaston van Camp


____

maandag 17 december 2007

Regels bedenken, titels bedenken, rituelen bedenken

Robbert legde een hand op zijn schouder. ‘Een paard is een edel dier,’ zei hij. ‘Een paard heeft geen kop maar een hoofd, en geen poten maar benen. Waarom? Kun jij verklaren waarom?’ Hij luisterde naar Fulco’s zware ademhaling.
‘Er is geen reden,’ zei Robbert dromerig. ‘Ik heb het nagezocht. Nergens kun je vinden waarom het ene dier edel is en het andere niet. In sommige stromingen van de islam zijn het ezels. In Egypte waren katten goddelijk. De Mongolen vereren paarden. De hindoes koeien. Andere hindoes vereerden hazen, omdat ze geloofden dat hazen in de toekomst konden kijken. Weet je waarom? Vanwege hun lange oren!’
Robbert schaterde het uit. Fulco trok met een verbeten gezicht aan zijn arm.
‘En hier,’ zei Robbert, ‘in dit godverlaten deel van de wereld dat niet eens een naam heeft, zijn het geiten.’
‘Klaar!’ Fulco deed een stap achteruit. ‘Dat kloteding zit erin.’
Robbert keek naar zijn voltooide manchet, bijna eerbiedig.
‘En toch is er geen dier dat een manchetknoop kan inzetten. Twaalf apen zouden het misschien voor elkaar krijgen, als je ze onbeperkt de tijd zou geven. Maar ze zouden uit zichzelf niet op het idee komen.’
Fulco tuurde naar Santo S*. Het gebeier had uitzinnige hoogten bereikt.
‘De enige edele dieren zijn jij en ik, Fulco. Niet omdat we de macht hebben, of omdat Onze-Lieve-Heer heeft bepaald dat wij de heersers der schepping zijn, maar omdat wij de enigen zijn die Hem kunnen bedenken. En regels bedenken, titels bedenken, rituelen bedenken, tijd bedenken, een hemel bedenken, en vooral: manieren bedenken waarom de een meer waard is dan de ander. En vanaf dat moment bestaan ze. Jij en ik.’
Fulco keek hem aan met een blik waar alle veerkracht uit was.
‘Dus je bent nog steeds van plan dat kansloze plan van je door te zetten?’
Robbert glimlachte. Hij keek op zijn horloge. ‘Volgens mij moeten we naar beneden, naar de anderen. Wil jij me even het helpen met mijn andere manchetknoop?’

uit: Edele dieren - Adriaan Jaeggi

____

zondag 16 december 2007

Bloedverwanten, geestverwanten

In westerse landen duikt elk jaar eind november een besmettelijk virus op dat tot een vijf weken durende epidemie van hersenverweking leidt: het feestdagenvirus. Geen zinnig (en dus ongodsdienstig) mens kan bedenken wat er voor hem op de kerstdagen te vieren zou vallen. Ook de jaarwisseling laat hem koud: een voor hem volstrekt willekeurig tijdstip dat anderen tot mijlpaal hebben verheven. Wie een eigen leven leidt, heeft zijn eigen hoogtij- en feestdagen. Als hij zich wil bezinnen of feest wil vieren, doet hij dat op de tijdstippen die hem het best uitkomen zonder acht te slaan op conventies.
Een van de kenmerken van de het feestdagensyndroom is een extreme drang naar uniformiteit. Honderden miljoenen gezinnen schaffen zich in die tijd een bepaald soort naaldboompje aan dat zij in hun huiskamrs zetten en daar optuigen met glimmende dun metalen bollen en andere kinderlijke versieringen. Zij kopen allemaal hetzelfde voedsel, en eten tijdens het hoogtepunt van de ziekte kalkoen, konijn of ree, alsof de daarmee bereide gerechten aan het einde van het jaar lekkerder smaken dan drie maanden later. De gewoonten kunnen per land verschillen. Zo is het in Spanje gebruik om op oudejaarsavond bij het slaan van middernacht na elke klokslag een druif te eten.
Een ander opmerkelijk verschijnsel vormt de muziek die tijdens deze periode voortdurend wordt gedraaid, en de rest van het jaar niet te horen is. Het is een op het verstandelijk peil van zwakzinnigen en kleuters afgestemde, weeë muzak waaronder zich liedjes bevinden met titels als ‘De herdertjes lagen bij nachte’ en ‘Rudolph, the red-nosed reindeer’.
Een ander kenmerk van het decembersyndroom is het verdringen en negeren van seksualiteit. Dit wordt vergemakkelijkt door de vele, langdurige gezins- en familiebijenkomsten die in deze periode plaatsvinden. Familieleven en erotiek vallen nu eenmaal moeilijk met elkaar te verenigen.
Een nuchter mens gruwelt van deze periode vol plichtplegingen en rituelen. Hij beseft dat de drang naar eenvormigheid voorkomt uit primitieve angst voor de ongewisheid van het leven: iedereen weet dat niets zeker is. Ziektes, natuurrampen, oorlogen, ongevallen, en verlies van inkomen, huis en haard kunnen elk ogenblik heil en verderf over ons brengen. Wij lopen eigenlijk permanent door een mijnenveld. Op gezette tijden massaal hetzelfde doen brengt veel mensen even in de waan dat niet alles in het leven ongewis is, en zij versterken die illusie door zich bij hun familie te voegen, als koeien die in de wei met de koppen bij elkaar gaan staan bij naderend onweer.
Aan het eind van de feestperiode vindt een idioot, onthullend ritueel plaats. Tijdens de eerste minuten van de jaarwisseling wordt opzettelijk veel lawaai gemaakt. Scheepshoorns loeien, en de hemel licht op door luid knallend en gierend vuurwerk. Voor deze gewoonte lijkt maar één verklaring te vinden: het primitieve idee dat zo boze geesten worden verjaagd.
Het beste middel aan deze feestdagen te ontkomen is je terug te trekken in jezelf en in de natuur. De natuur kent geen zon- en feestdagen. De vogels kijken niet naar de kalender of klok om te bepalen of zij gaan fluiten. De innere Emigration is echter het belangrijkste. Je sluit je op in je eigen huis en wereld. Doordat je in die tijd toch niet kunt leven zoals je graag wenst, beschik je over de gelegenheid allerlei noodzakelijke werkjes of werkzaamheden te verrichten die je hebt uitgesteld. Brieven schrijven, reparaties in je huis verrichten, kasten opruimen – daarmee win je tijd in een periode dat vrijwel iedereen die verdoet. Jij bent aan het leven, terwijl de anderen vegeteren. Jij verdiept je in je keur van boeken en wisselt van gedachten met geestverwanten; zij staren in een kring van bloedverwanten naar gelegenheidsprogramma’s op het tv-scherm. Jij groeit; zij krimpen.

Feestdagen negeren
uit: Praktisch verstand : klein handboek voor non-conformisten - Theo Kars

____

Net voor de meute uit

Eenzame haas, de doodsangst in de poten,
rent door het labyrint van droge sloten
net voor de meute uit, die instinctief
wacht op de zevenslagers van de schoten.

Jacht
uit: Poedersneeuw : kwatrijnen - Anton van Wilderode


____

zaterdag 15 december 2007

Zijn vorsende Leonardo

’s Nachts droom ik van onze ontmoeting, hoe we op elkaar botsen. Ik ben terug in onze Alpine Inn en wacht op een drankje bij de bar. Weet je die snerpende gil nog buiten, dat wilde dier bij de deur, hoe je mijn arm vastgreep en het van pijn uitschreeuwde met mij daar onder je kaak, een plek waar je nooit had gedacht mij te zullen aantreffen. Ik zette me af van de oceaanbodem; hij was een donkere schaduw van land. Mijn hoofd sloeg tegen zijn kaak. Wat had ik ook weer laten valen? Het was een ongeluk. Ik word hijgend wakker. Weer wij tweeën die op elkaar botsen, verstrengeld, die over het bed rollen met al onze kleren nog aan. En dan weer ophouden om te kijken hoewel ik amper zijn gezicht kon ontwaren. We hadden nog steeds onze kleren aan. Ik voelde zijn harde laars tegen mijn blote enkel. Ik ga naar de keuken, onderweg stap ik in de zitkamer over de blokken van de jongen heen. Ik vul een glas water en drink het leeg. Ik voelde in het donker Edmunds adem, zijn studerende blik op mijn gezicht dat hij amper kon zien. Ik kreeg een heel raar gevoel, een golf die bij mijn keel begon. Het heeft geen zin daaraan te denken. Die nacht daar in de Alpen, toen we helemaal aangekleed bij elkaar lagen, raakte ik zijn elleboog aan alsof het een deur was. Luister edelachtbare, ook nu, terwijl ik hier bezig ben mezelf weer voor de geest te halen en bij elkaar te rapen, zie ik hem nog op die foto, een scherp silhouet tegen de glitterhemel. Die kwellende schoonheid is er alleen maar om ons te martelen, zoiets belachelijk moeten we toch ontgroeien. Ik sta als een van die jongetjes op de foto ergens langs de rand van zijn kader, in de hoop op een onvergetelijk uitzicht. Ik ben zijn vlijtige James Boswell, zijn vorsende Leonardo. Mijn blik zal vanuit de verre toekomst door hem worden beantwoord, zijn ondoorgrondelijke glimlach zal doorbreken en achter hem zal vaag een zinderend landschap opdoemen. Ik slaap zeker weer want nog geen seconde later hoor ik een stem. Meteen zit ik rechtop. Edmund?
Je schreeuwde.

uit: De Hertogin van Niets - Heather McGowan

____

vrijdag 14 december 2007

Een aap schrijlings op een hippogrief

Heb je er ooit over nagedacht welk een koorts van verwachting er in mij moet woeden terwijl ik dag na dag bij het vuur zit, wachtend op de steeds maar uitgestelde publicatie van dit dagboek, hoe ik ernaar smacht het vast te houden, de verse inkt te ruiken, het bindwerk te horen knisperen als ik het open, en, bovenal, te lezen wat een van de meest vooraanstaande literatoren denkt over mij en mijn boek.
Ik wacht met mijn hoofd op het hakblok op het moment dat mijn kind wordt gebracht om mijn afscheidszegeningen in ontvangst te nemen.
Zal het op tijd komen? Ik stierf afgelopen maand bijna aan de griep, en ga elke dag achteruit.
Ik ben op het rechte eind naar de finish in een nek-aan-nekrace verwikkeld met mijn kwade genius op het zwarte paard naast me. Het zal erom gaan wie er wint. En als ik het ben verwacht ik dat mij een gruwelijke straf wordt opgelegd. Er zal een prijs betaald moeten worden – lèse-majesteté – omdat ik zo stoutmoedig ben geweest de baan van de sterren te tarten, en met succes.
Mijn leven vormt absoluut een verbazingwekkende episode in de menselijke geschiedenis. Mij lijkt het een titanenstrijd tussen een alles verterende ambitie en het weerbarstige lot. Aanschouw een straatarme, leergierige jongeling die, o duivelsstreek, de wereld binnentreedt op een plek die honderden kilometers verwijderd is van een universiteit. Een jongeling met een torenhoge eerzucht, maar gekweld door een slechte gezondheid en een ambivalente natuur, enerzijds genotzuchtig, anderzijds werklustig. De voortdurende, bijna sluwe tegenwerking die mijn inspanningen lang geleden ondervonden, gaven me het gevoel dat ik streed tegen een of andere kwade geest. Denk maar eens aan de uitvoerige voorzorgsmaatregelen waarmee ik mijn manuscripten omringde tijdens de luchtaanvallen. Aan elke bom zag ik een labeltje hangen met daarop ‘Bestemd voor Barbellions verachtelijke ambitie’.
Denk ook maar eens aan de kopiën van mijn uittreksels – ik zag een leger huishoudsters rondsluipen om ze in het vuur te gooien, Carlyles French Revolution achterna. Ik heb met volle overtuiging gevochten tegen een brandstichter, een bommenwerper uit Hunnenland, een doortrapte huishoudster en een heel leger onbetrouwbare lieden die samenwerkten met een vijandige geest die eropuit was mij en mijn ambitie te doden en uit te wissen. Ik en mijn eerzucht, wat een grotesk paar: een aap schrijlings op een hippogrief, een ezel met een Jabberwock! Het is waar dat die vijand mijn leven heeft geruïneerd, maar de strijd is nog niet voorbij. Met een duivelse vastbeslotenheid zet ik nog altijd door, kruipend op handen en voeten, de dolk tussen mijn tanden. Ik ben door de mangel gegaan, gehavend, verschroeid maar nog niet helemaal kapot. Hopelijk mag ik het meemaken dat de dolk volgende maand wordt gepubliceerd door Chatto and Windus.
Je kunt in alle fictie en non-fictie van de wereld op zoek gaan naar een grotere ambitie dan de mijne en van een koude kermis thuiskomen. Nee, ook Napoleon, Wilhelm II of Keats halen het niet bij mij. Maar ik ben er niet trots op, bepaald niet. Het wonderlijke is dat ik, bezeten als ik ben door zo’n demon, bij zinnen blijf. Als ik niet bij mijn verstand was zou ik mezelf niet zo voor gek kunnen zetten. O mijn God! Wat een ridicule zwakte, maar een luipaard kan nu eenmaal niet van zijn vlekken af, en ik voel me even hopeloos vlekkerig als een luipaard.

26 januari 1919 [fragment]
uit: Laatste dagboek - W.N.P. Barbellion

____

donderdag 13 december 2007

Oefening in onoplettendheid

Hij had behalve de slaap nog een ander middel gevonden om niet te leren, en in zijn kluizenaarstaal noemde hij het oefening in onoplettendheid. Deze oefening bestond uit het mechanisch lezen of schrijven, terwijl hij intussen uit alle macht probeerde om zich buiten de dingen te houden die hij opschreef of las. Daar had je bijvoorbeeld het geschiedenisboek, daar stond de zin: “De toestand van Frankrijk en Europa had nu een stadium bereikt waarin de Franse regering zich kon veroorloven gevolg te geven aan het verzoek van de Spaanse koning…” Onder het lezen van deze woorden hield Lukas zijn aandacht er buiten, zodat ze in een lege, zinloze sfeer kwamen te hangen. En inderdaad was het hem of de woorden, naarmate hij ze spelde, verder weg kwamen te staan, steeds kleiner wordend in een vlak en duizelingwekkend perspectief, net als de woorden die een oogarts je laat lezen op zijn bordjes waarmee hij het gezichtsvermogen van de patienten onderzoekt. En dan, als ze bijna verdwenen aan de horizon van die enorme vlakte waar ze zich in de verte hadden teruggetrokken, sprongen ze ineens voor hem met grote afficheletters, angstaanjagend in hun luidruchtigheid, geweldig van afmeting: “De toestand van Frankrijk en van Europa…” Het deed hem genoegen te constateren dat in deze heen en weer gaande bewegingen de woorden, ook al hoorde hij ze lettergreep na lettergreep door zijn hoofd schallen, onbegrijpelijk bleven, ontdaan van iedere betekenis, zonder het houvast van enige logische ruggegraat, doder dan de woorden van welke dode taal dan ook. Soms las hij, om zich opnieuw te overtuigen, hardop, en dan merkte hij voldaan dat het geluid de woorden niet verduidelijkte, maar er integendeel een indruk van zinneloosheid aan toevoegde. Omdat hij wist dat een lichte inspanning van de oorspieren voldoende was om zijn stem tot iets uiterlijks en vreemds te maken, haast alsof ze uit een andere mond dan de zijne kwam, maakte hij er een spelletje van om steeds dezelfde zin te herhalen met wisselende stembuigingen, met een vrouwenstem, een holle stem, de stem van een monster: “De toestand van Frankrijk en van Europa…” Meestal eindigde deze oefening ermee dat hij zoals gewoonlijk in slaap viel. Hij voelde de slaap van beneden naar boven komen in de vorm van een wellustige verdoving van zijn benen. Dan stond hij op, wankelde naar zijn bed, en wierp er zich op.

uit: De ongehoorzaamheid - Alberto Moravia


____

De stad die vertraagt tot een ets

Sneeuw is het vellen en vallen van reuzen.
Vellen trommelvliezen, bomen die schreeuwen.
Gefluister is water, stroomafwaarts op vlotten
naar de Dordtse houtmarkt gaan.

De markt is morgen, scheepsromp en huis.
Het bouwen vuur en het weten van kachel.
De kachel stad. Vroeger de stad die vertraagt
tot een ets, oud en zonder geluid.

Geëtst is wat je ziet waar je niet bij kunt:
verte, haven, huis. Huis is de bast
van de boom die zich sluit over vroeger,
het schip waar ik woon, waar hier, nu

regen dreunt, hout groen kraakt, niet scheurt
want ik ben goed, mijn huid mijn
god, gemakzucht: stem die zegt
dat niet wij, dat ons niets, maar Bosniërs

en Algerijnen wel, want zij gaan toch – dood
is reflecties van een zoontje dat niets meer ziet
op een netvlies dat barst van de dorst.
Dorst is denken aan groot water.

Klein is dode kinderen, verbrande mensen, ver weg.
Klein is krantenberichten, handen, tranen zijn klein –
’not even the rain has such small hands’.
Handen zijn waar tijd op reis doorheen valt als water.

Behouden Huys [fragment]
uit: Hier is de tijd : gedichten - Esther Jansma


____

woensdag 12 december 2007

Remmen voor een reebruine celliste

Ik hoorde laatst dat er weinig dichters
Zijn met een rijbewijs.

En dat er dus velen geen ’64 Chevy Malibu Convertible
Kunnen besturen, of een Hummer uit 2002 (316 pk).

Laat staan dat ze stuurloos remmen
Voor een reebruine celliste, een rode opblaasboot
Of een zak onbemeste tuinaarde.

Waarschuwing!
Dichten beïnvloedt de rijvaardigheid –
Niet.

Stuurloos
uit: A Capella : gedichten - John Schoorl


____

dinsdag 11 december 2007

Het wrede van bewaren zit 'm in de laatste still

Bewijsplaatsen zoals
het wecken van wind
en het doden van vlinders
om niet te vergeten
hoe onstuimig het toen was.

Nu glasstilte;
beweging gestold,
leven onzichtbaar geworden.

Hier ligt hij.

Glashelder doorzicht –
het wrede van bewaren
zit ‘m in de laatste still,
de afrekening:
het gesperde toen = het eeuwige nu.

De stille weckroep van Pompei:
waaiend glas & marmeren gefladder.
Kill.

Oblomow in Handzame, 05
uit: Oblomow in Handzame : gedichten - Joris Denoo

____

maandag 10 december 2007

Met die swiepslag van krokodilstert

Wat ek van hom onthou, my pa:

dat hy my leer swem het
dat ek klein en kaal en kind
in sy arms
in ’n lieflike plonsbruin plaasdam was
die heerlikheid van water
dit het ek an hom

En ook:
’n woord
één woord wat vertel
van glipgladde gly oor ’n muur
van pootjies en ’n skurwe vel
’n flitsende wegskrik
"akkedis"

Dit is ál
want toe is hy weg, my pa

Water, en één woord
het my pa my gegee
dit was genoe
vir ’n hele lewe

want woorde swem
speel soos otters
woorde slaan
doodsekuur
met die swiepslag
van krokodilstert
deur water

Nalatenskap
uit: Met de taal van karmozijn : gedichten - Riana Scheepers


____

zondag 9 december 2007

In conservatieve wateren

De Vlaamse beweging legt vooral de nadruk op de ‘geschiedenis’ en de Waalse beweging op het ‘plebisciet’. Bovendien zijn de poltieke projecten van uiteenlopende aard. De Vlaamse beweging put haar inspiratie vooral uit neoliberale bronnen, terwijl de Waalse beweging een socialistische voedingsbodem heeft. (…)
Uiteindelijk valt nog op te merken dat de band tussen de regionale beweging en de leidinggevende klasse in beide landsdelen ook van verschillende aard is. In tegenstelling tot Vlaanderen kunnen de ‘bouwers van de culturele identiteit’ in Wallonië niet rekenen op de steun van hun leidinggevende klasse. Mijn onderzoek heeft uitgewezen dat het Waals-nationaal identiteitsgevoel hier zeer weinig ontwikkeld is. Het gaat om een klasse die de indruk geeft volledig ‘naast’ de Waalse beweging te leven. De Vlaamse leidinggevende klasse, daarentegen, is altijd nauw betrokken geweest bij de Vlaamse beweging en heeft deze mede vorm en inhoud gegeven, tot ergernis van de Vlaamse linkse krachten. Deze betreuren het dat de Vlaamse beweging in conservatieve wateren vaart en zich de macht toe-eigent te spreken ‘in naam van hét Vlaamse volk’.

uit: Blijven we buren in België? : Vlamingen en Walen over Vlamingen en Walen - Denise van Dam

____

zaterdag 8 december 2007

Zomaar een roos cadeau

Toen verscheen aan de andere kant van het steegje een man die een platte houten doos voor zijn buik gebonden had. Hij zocht een plek tussen de tafels, uit de loop van de armzwaaiende obers, en begon met twee stokken de snaren van de doos te beroeren. Eerst kwam de muziek niet goed boven het geroezemoes uit, maar allengs werd het stiller, de mensen onderbraken hun gesprek en draaiden hun hoofd naar de muzikant. De obers bleven staan, hun armen beladen met borden in de lucht geheven. Je begreep niet hoe er uit een doos met een paar snaren en twee stokjes zo veel noten tegelijk konden komen. De man, een jongen eigenlijk nog, staarde in de verte en keek niet naar zijn instrument. Zijn magere handen leken te weten wat ze wilden en raakten met onpeilbare precisie de juiste plek tussen de tientallen of honderden snaren. Je had nog nooit een dergelijk instrument gezien, al was de melodie je niet helemaal onbekend. Het leek op wat er tijdens feesten in je dorp werd gezongen, en het leek ineens mooier dan alle andere liederen die je ooit gehoord had. Het ritme versnelde, sommige mensen aan de tafels deinden mee met de muziek, anderen tikten zachtjes met hun vork op de borden. Een blonde vrouw stond op, ze droeg een blauwe jurk, haar huid was bedekt met roodbruine sproeten. Ze begon met haar heupen te wiegen, haar handen graaiden in de lucht boven haar hoofd. De omstanders klapten. De muzikant hield op met spelen en boog. Meer, meer, gebaarde de vrouw, maar hij schudde beleefd zijn hoofd zonder haar aan te kijken. Hij liep de tafels langs om geld op te halen, je zag hoeveel mensen hem munten gaven. Vooral de vrouwen haalden geld uit hun tassen. Wanneer er aan een tafel één begon, deden ze allemaal mee. Even was je jaloers, toen liep je achter hem aan de tafel langs, de bos rozen voor je uit. Een man kocht een roos voor de vrouw die gedanst had, en een andere man kocht er twee voor haar. De vrouw gooide haar hoofd achterover en lachte met haar mond wijdopen. De muzikant stond op het punt door te lopen. Je tikte hem op de schouders, en voor het oog van alle gasten van het restaurant overhandigde je hem een van je rozen. Hij glimlachte even, de mensen klapten, en jij boog en glimlachte terug. Samen gingen jullie de steeg uit. Je zou willen weten waar hij vandaan kwam en vooral waar hij woonde. Of hij al lang hier was. Tientallen vragen buitelden door je hoofd. Maar je sprak geen Italiaans, en hij ook niet. Toen zei hij ‘Ciao!’, en sloeg af. Je liep alleen verder. Je bedacht je Dalil niet moest vertellen dat je zomaar een roos cadeau hebt gegeven.

uit: De tuin van de sultan van Rome - Louise O. Fresco


____

vrijdag 7 december 2007

Toch enige gelijkenis

* Handel consequent en zorg ervoor dat je daden toch enige gelijkenis vertonen met wat je kort daarvoor nog woordelijk hebt verklaard. Roep dus niet op het liberaal partijcongres dat er ‘nooit migrantenstemrecht’ komt met de VLD in de regering om enkele maanden later dat stemrecht voor niet-Europese burgers toch te moeten slikken.
* Ministers en partijleider moeten zich omringen met kritische adviseurs die hun baas durven tegenspreken. Naar het voorbeeld van de grote Franstalige Buitenlandminister Paul-Henri Spaak (PS) die opzettelijk een jonge topdiplomaat van christelijke signatuur op zijn kabinet benoemde: Etienne Davignon.
* Een ouder politicus neemt beter enkele jonge, coole types op in zijn staf. Een jonge politicus laat zich bij voorkeur adviseren door oude, grijze, wijze vrouwen en mannen met veel ervaring.
* Lees nog eens een boek. Dat is iets anders en het ziet er ook anders uit dan een verslag, een nota, een rapport, een non-paper of een speaking note.
* Neem tijdens een manifestatie geregeld eens op de gewone zitjes plaats, glip weg uit de VIP-tent en ga naar de bar waar je met bonnetjes betaalt. Niet alleen in de weken voor de verkiezingen en niet omdat het sympathiek oogt. Maar omdat je daar hoort wat de mensen bezighoudt.

7. Zalen doen vollopen, zalen doen leeglopen [fragmenten]
uit: Over leven in de Wetstraat : 25 jaar politiek journalist - Pol Van Den Driessche

____

Een teer van berusting zet zich in je af

Talmen, talmen; met in je handen de polsen,
de wulpepootjes van je dochter. Sinds kort
dansen uniformen een onrijpe balts
langs je huis met hun ballistisch broedsel,
hun rommelend materieel dat nooit vanzelf
de bergen op zal kruipen, hun ontplofbare
kinderen in kleine groene kisten.

De overval van de laatste halm die je sneed,
de laatste vrucht die je van de takken rukte,
de laatste bloem die je, eigenlijk voortijdig
en te kort van steel plukte, van de laatste zomergeit,
het laatste kaaslichte geldstuk van de maan
dat in de zwarte avondwijn kon schijnen.
De laffe inval van de strakke premature ijsformaties,
van diluviale melkslijtsels, van witte dagen.

De divisies van je lichaam werken minder samen.
Het ene deel wil meer, maar het zware,
dat het kind heeft voortgebracht, heeft rust verdiend.
Het een vliegt muitend tegen het ander op.
Een teer van berusting zet zich in je af.

Ze grijnzen naar je dochter die nu veertien is
en zich niet te klein voelt voor de ideeën van soldaten.
Zacht als biljart klokken de hanen in de verte.
Boven kraakt een wolk langs de top.

Alpenovergang.
uit: Grondheer : gedichten - Tomas Lieske


____

donderdag 6 december 2007

De openbaring van de hoekzwik

Alleen archeologen zien schoonheid in Sassanidische architectuur, omdat het hier gaat om de historische waarde. Dit paleis, dat in het begin van de derde eeuw n.C. is gebouwd, is een mijlpaal in de ontwikkeling van het bouwen. De openbaring van de hoekzwik, een simpele boog over de hoek van twee wanden, valt samen met het optreden van het pendentief, een vliegervormig gewelf, gesteund door een hoekpenant, in Syrië; en uit deze beide vindingen komen twee primaire bouwstijlen voort, samen met twee religies: de middeleeuwse Perzische stijl, die zich vertakt naar Mesopotamië, de Levant en India; en de Byzantijnse-Romaanse stijl, die zich verspreidt naar noordelijk Europa. Vóór die tijd was er geen manier om een koepel te plaatsen op een vierhoek van steen, of op een gebouw van welke vorm ook met een inwendige dat veel groter was dan dat van de koepel zelf. Voortaan, toen hoekzwikken en pendentieven groter werden, en naarmate de eerste werden vermenigvuldigd tot rijen stalactieten en vleermuisvleugels, werd voor gebouwen van alle mogelijke vormen een koepel mogelijk. De christelijke uitbreiding hiervan heeft haar hoogtepunt bereikt in de Aya Sofia in Constantinopel, en is een tweede leven begonnen met de koepel van Brunelleschi in Florence. De mohammedaanse wacht nog op kartering, door iemand die zich weet te beheersen tussen de jaloerse lieden van de moderne archeologie. Eén ding staat echter vast: zonder deze twee principes, waarvan er één hier zijn prototype heeft, zou de architectuur zoals we die nu kennen, er anders uitzien, en veel gebouwen die de hele wereld kent, zoals de Sint-Pieter, het Capitool en de Taj Mahal, zouden niet eens bestaan.

uit: De weg naar Oxiana - Robert Byron


____

dinsdag 4 december 2007

Hetzelfde geldt voor uitgestrekte, gladgeschoren gazons

Het was ook in het Victoriaanse tijdperk dat de verschrikkelijke gloeilamp is uitgevonden, die zijn genadeloze, onbarmhartige licht op onze vuiligheid en rotzooi werpt. Hoe anders moet het in de achttiende eeuw zijn geweest, toen alles door kaarsen werd verlicht. We zouden het vuil niet hebben gezien, en dus zou er minder hoeven te worden schoongemaakt. Witte kleding was niet zo populair; minder wasgoed dus. Het idee van frisse lakens met een geur van lavendel, dagelijks verschoond, was een victoriaanse uitvinding die eigenlijk bedoeld was om te laten zien hoe rijk je was omdat je je een hele hoop personeel kon veroorloven dat de was deed. Hetzelfde geldt voor uitgestrekte, gladgeschoren gazons: die saaie stukken effen groen bestonden voor de achttiende eeuw niet, evenmin als tennisbanen en croquetvelden. Alles was wat ruiger, en dat betekende minder werk. Huizen roken ook lekkerder: we hadden lavendel in plaats van schoonmaakmiddelen. Welbeschouwd is schoonmaken misschien gewoon een kwestie van verlichting. Als je een schoner huis wilt, draai dan gewoon de lichten uit en steek een kaars aan. Elektrisch licht is de vijand. We moeten af van het koude, harde schijnwerperlicht van het edisoniaanse rationalisme en overgaan op het warme, flakkerende, mooie, genadige, irrationele licht van de kaars. Bij kaarslicht is het niet zo nodig alles brandschoon te houden, gewoon omdat het vuil niet zichtbaar is. Het idee van algemene normen waaraan we ons allemaal moeten houden is een vorm van tirannie. Stel je eigen normen. Doe wat je wilt. Zorg voor jezelf. We moeten ons taalgebruik ten aanzien van dit probleem veranderen, en mijn voorstel is het niet langer over ‘huishoudelijk werk’, maar over ‘huishoudelijke verzorging’ te hebben. Dat betekent dat je je huis vrijwillig doet, en niet vanuit een gevoel van verplichting aan een of andere abstracte schoonmaakinstantie die een waarschuwende vinger naar je opsteekt. Ik laat je achter met een Idler-devies: steek, in plaats van over de rommel te klagen, een kaars aan. Dan zie je de rommel niet.

uit: Leve de vrijheid : hoe ontkom ik aan de cultuur van het moeten - Tom Hodgkinson


____

maandag 3 december 2007

Wegens onvoldoende rendabel

Een aantal fundamentele ontwikkelingen dikte de spanningen tussen de gemeenschappen aan. Zo staken de gewijzigde economische verhoudingen tussen Vlaanderen en Wallonië de lont aan het vuur. In 1959 deden de economische expansiewetten van premier Gaston Eyskens (CVP) het aantal investeringen stijgen. Heel wat Amerikaanse, maar ook Franse en Duitse multinationals kwamen met vers geld over de balk en stampten in Vlaanderen grote ondernemingen uit de grond. De ligging van de Vlaamse regio was immers gunstig, de lonen lagen er lager, de vakbonden waren er meegaand en er was voldoende behoorlijk opgeleid personeel voorhanden. De multinationals inden fikse winsten door de integratie van de Europese markt. De interne Belgische markt zag er al even rooskleurig uit door de spectaculaire stijging van de koopkracht en de bijna honderd procent werkgelegenheid.

Begin jaren 1960 stokte het economische succesverhaal. Vooral in Wallonië. De eerste mijnen sloten er wegens onvoldoende rendabel. Duizenden jobs gingen er verloren. Het katholiek-liberale kabinet van Gaston Eyskens greep in door een stijging van de indirecte belastingen, door bezuinigingen in de openbare sector en door een rem op de sociale uitgaven. De Waalse arbeiders en bedienden waren geschokt en voelden zich geviseerd. Ze legden massaal het werk neer en uitten hun woede via straatgeweld. Eyskens liet zich daar niet door verwurmen en beet door. De Waalse regio kreeg nog meer te verbijten. In 1963 stelde de Belgische regering kredieten ter beschikking van Sidmar, het eerste grote staalcomplex in Vlaanderen. De regering leek daarmee haar economische wantrouwen in Wallonië te bevestigen, terwijl de Vlaamse economie de Waalse overtroefde.

11.2. Toenemende spanningen tussen de gemeenschappen [fragment]
uit: De weg naar een federaal land - Eric Van de Casteele

____

zondag 2 december 2007

Nu is het een frase waar niemand aansluiting bij vindt

Trouwen deed je meisjesnaam in onbruik raken.
De vijf lichte klanken geven niet langer betekenis
Aan je gezicht, je stem en al wat verder gratie is;
Want dankzij dit wettig maken
Van een naamsverandering, is het een onmogelijkheid
Dat je semantisch dezelfde bent als die mooie jonge meid:
Zij was het over wie we met die twee woorden spraken.

Nu is het een frase waar niemand aansluiting bij vindt,
Die je her en der verspreid achter hebt gelaten
In oude lijsten, oude programma’s, wat prijscertificaten
Van school, bundels brieven bijeengebonden met ruitjeslint –
Is het dan zonder geur, zonder gewicht, zonder kracht,
Geheel onwaarachtig? Fluister het langzaam en heel zacht.
Nee, het staat voor jou. Of, sinds niet je hier meer bindt,

Betekent het ons gevoel voor jou in vroeger dage:
Hoe mooi je was, en jong, en dichtbij,
Zo levend en weer vingerafdrukvrij,
Het zou nog steeds van jou kunnen gewagen.
Je oude naam verleent aan onze trouw dus dekking,
In plaats van te verliezen aan vorm of strekking
Door de last van je ontwaarding mee te dragen.

Meisjesnaam
uit: Sneeuw valt op een zondag in april : gedichten - Philip Larkin
[vertaald door Harry G. de Vries]


____

zaterdag 1 december 2007

Dat ze lijkt op gelijken

Tijger wordt uit tijger geboren.
Lijkt op tijger.
Eet hetzelfde vlees.
Klaagt niet
Over zijn strepen.
Scherpe zwarte sneden
In kastanjebruin blinken
Als zon die dunne
Zwarte lei splijt.
Klaagt niet
Dat ze lijkt op gelijken.
Zij eet om haar vader
Te worden, te worden
Haar moeder.

Tijger
uit: De stenenraapster : gedichten - Frieda Hughes


____