Een man met een rieten stok die met een gekleurde pluim bekroond wordt, houdt me tegen. Hij kijkt zowel streng als vermoeid en vraagt iets in Farsi. Ik leg hem uit dat ik toerist ben en diep onder de indruk van het heiligdom. Hij schudt niet begrijpend zijn hoofd.
‘Farsi, Farsi,’ zegt hij.
Een tweede bewaker schiet te hulp. Een magere, ziekelijk bleke man met koortsige ogen en van kop tot teen in het zwart gekleed. In het Engels vraagt hij of ik gekomen ben om te bidden. In een flits bedenk ik dat ik me in een belangrijk sjiitisch heiligdom bevind. Neen zeggen klinkt hier erger dan een vloek. Ik knik voorzichtig ja.
‘Follow me.’
Met mijn schoenen in de hand loop ik achter de doodgraver een lange gang in, ellebogend want er heerst een gewriemel van gaande en komende mannen. Ik krijg geen gelegenheid om rond te kijken, zo druk is het. Als ik niet oppas struikel ik over mannen die op de grond zitten te lezen of luidop bidden. Alle zijvertrekken zijn afgeladen vol met biddende mannen. Hun monotoon gemurmel vult de ruimte als een dikke vloeistof waar ik me doorheen worstel. Zodra iemand zijn plaats verlaat dirigeren bewakers met pluimstokken een nieuwkomer naar de vrijgekomen plek. Er hangt een penetrante geur van mensenzweet, zweetvoeten, stof, schimmel – de geuren van een nooit verluchte turnzaal waar jarenlang jonge lijven getranspireerd hebben. Ik voel me vreemd zweverig, alsof ik door een droom loop.
Ik wurm me uit het gewriemel vrij en blijf tegen een muur staan kijken. Er hangen reusachtige kristallen luchters die zeeën van licht verspreiden. Wanden en plafonds zijn bedekt met spiegelfragmenten. Duizenden, honderdduizenden spiegeltjes moeten dat zijn. Ze veroorzaken een hallucinant effect, te meer daar de ontelbare lampen in de spiegeltjes miljoenvoudig weerkaatst worden. Het zou ontzaglijk mooi zijn als het niet zo goedkoop en kitscherig was. En tegelijk is het bedwelmend, hypnotiserend. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.
Ik wandel verder de gang in, beter gezegd, ik laat me met de stroom meedrijven, móét de stroom wel volgen, ik ben onderdeel van een smeuïge, langzaam vorderende brij mensenlijven. De menigte is zo compact dat ik mijn armen niet meer kan bewegen, ik sta in mensen ingeblikt.
Even verder zie ik boven de hoofden tralies uitsteken. Honderden handen strekken zich naar de tralies uit om ze aan te raken. Een hallucinant beeld, al die grijpende handen. Waarschijnlijk het graf van een of andere martelaar. Sjiieten hechten niet veel belang aan heiligen, het martelaarschap echter staat heel hoog aangeschreven.
Mannen citeren luidop verzen, huilen van ontroering, kussen met verbazende overtuiging deurstijlen, zitten met geheven armen en gesloten ogen luidop te bidden. Ineens verheft een man in extase zijn stem, hij schreeuwt iets boven het ruisende gemurmel van de duizenden stemmen. Een sombere golf van bronzen stemmen antwoordt. Er kruipt een rilling over mijn rug.
Ik probeer dichter bij de tralies te komen, wring een beetje tegen de stroom pelgrims in, meer naar de zijkant. Een van de pluimstokken krijgt mijn gemanoeuvreer in de gaten, maakt een waarschuwend gebaar naar me. Ik knik geruststellend. Zijn blik blijft me volgen.
Ik ben intussen toch al tot op anderhalve meter van de tralies genaderd. Ik ga op de tippen van mijn tenen staan, zo kan ik over de koppen kijken.
Er gaat een schok door me heen. De kleurenfoto’s in de busstations… Dit is het Heilige Schrijn zélf! In wachtzalen van busstations hangen mooi ingelijste kleurenfoto’s van het Schrijn. Dit is het!
Het grafmonument van Emam Reza is weinig spectaculair, een plompe constructie op een geaderde grijswitte marmervloer. De zijwanden bestaan uit een dicht traliewerk in glanzend metaal dat er als zilver uitziet. Op de hoeken staan bosjes kunstbloemen. Het zware, pompeuze marmerdeksel van de tombe ziet er als een dikke matras uit.
Langzaam, als half gestolde lava, vloeit de stroom gelovigen voorbij. Mannen knielen in aanbidding, fluisteren, zingen, murmelen in religieuze extase koranteksten. Ontelbare handen reiken naar de tralies, willen het graf aanraken. En het licht glanst en weerspiegelt ontelbaarvoudig versplinterd in de spiegelfragmenten van wanden en plafond.
uit:
Tussen gratie en gruwel : een Iran-reis - Gaston van Camp

____