zondag 13 april 2008

Spreken en verstaan

Deze bijeenkomst had ten doel datzelfde NBLC duidelijk te maken dat Nederlandse besprekingen van Vlaamse boeken als ‘racistisch’ werden ervaren. Ter voorbereiding van de vergadering had ik het NBLC [in 1986, PvD] de volgende brief gestuurd:

‘Geachte heer/mevrouw,

Spreken en verstaan is alleen mogelijk als spreker en hoorder voor de begrippen en schema’s dezelfde klanktekens gebruiken. Taal is dus een systeem van klanktekens om begrippen en betekenisverhoudingen duidelijk te maken, dat bij een aantal (dus minstens twee) personen in gebruik is, en dat gekenmerkt wordt door een eigen aard van klankvorming, bouw van woordgroepen en zinnen.
De Nederlandse taal is dus het systeem van klanktekens om begrippen en betekenisverhoudingen duidelijk te maken, dat in gebruik is in de culturele en politieke gemeenschap van hen die zich Nederlanders noemen.
Het Nederlands wordt gesproken in Nederland en het noordelijke deel van België (Vlaanderen). Sporen ervan vindt men ook nog in Frans-Vlaanderen.
In de middeleeuwen noemde men het Nederlands bij voorkeur Diets; pas in de 16e eeuw komt de benaming “Nederduits” opduiken – terwijl daarnaast nog steeds het woord “Nederduits” in zwang bleef. De taal van het Nederlandssprekende deel van België wordt dikwijls Vlaams genoemd, maar heet officieel Nederlands.
Uit de talen van de Germaanse stammen die zich in de streken tussen Duinkerken en Delfzijl vestigden, was in de middeleeuwen een aantal taalsystemen gegroeid dat min of meer overeenkwam met de toenmalige politieke en culturele gemeenschappen zoals Vlaanderen, Brabant, Holland, Friesland enz. Deze talen vertoonden veel overeenkomsten, maar de een verschilde toch zoveel van de ander, dat de bewoners van de verschillende staten elkaar niet goed konden verstaan. Ook was iedere taal basis van de geschreven taal van dat gebied.
Taal is dus het uitgesproken middel tot verstandhouding. De taal stelt de leden van een taalgemeenschap in staat met elkaar in contact te treden over de verschijnselen van de wereld om hen heen en is tevens een middel om gedachten en gevoelens uit te drukken.
Het verzorgde, beschaafde taalgebruik zal de grondslag van dit contact zijn, al bedient men zich bij het schrijven ook, al naargelang de omstandigheden, van verschillende vormen, woorden en zinnen. Men schrijft in een bepaalde stijl. Er is een duidelijk verschil tussen een familiale brief, een zakenbrief of een verzoekschrift, een dichter schrijft niet dezelfde taal als de wetgever voor een wettekst.
Ook de plaats waar men woont heeft invloed op de taal. Een plattelandsdichter is anders gebekt dan een stadsdichter, en het Nederlands van Danny de Munk is heel wat anders dan het Nederlands van bijvoorbeeld een Regine Clauwaert of een Leontien Ceulemans, om maar enkele namen te noemen.
In de ontwikkeling die voert van het Nederlands in zijn oudste vormen tot het Nederlands van vandaag, onderscheidt men drie frasen: het Oudnederlands, het Middelnederlands en het “Nieuwnederlands”. Van het Oudnederlands, dat hier toch tot circa de twaalfde eeuw werd gesproken, bezit men weinig bronnen. Omstreeks 1170 begon met de Sint-Servaes van Hendrik van Veldeke de periode van het Middelnederlands, die tot het midden van de zestiende eeuw zou duren. In deze tijd was er dus nog geen sprake van een algemeen aanvaarde omgangstaal; iedere auteur schreef in zijn eigen dialect, al dwong het streven om zich ook buiten het dialectgebied verstaanbaar te maken, velen ertoe de meest opvallende kenmerken van het dialect te vermijden. Terwijl in de veertiende eeuw het Vlaams toonaangevend was in de literatuur, ging in de vijftiende en de eerste helft van de zestiende eeuw vooral van het Brabants invloed uit, mede door de bloei van de Brabantse steden, waarbij Antwerpen een leidende positie had. Via Den Bosch en Utrecht vond deze taal zijn weg naar Holland, tot vlak onder het IJ.
Enkele afzonderlijke staten, die door de Bourgondiërs waren samengevoegd in een politiek verband, streefden naar een eenheidstaal. Het feit dat vele boekdrukkers in Antwerpen en Leuven waren gevestigd, droeg hiertoe bij. De Antwerpse drukkerij Plantijn produceerde overigens enkele woordenboeken, die uitgingen van het Brabants en die een groot gezag zouden verwerven. Ging bij het streven naar een cultuurtaal Brabant nog voorop, de val van Antwerpen betekende een verplaatsing van het zwaartepunt naar de Noord-Nederlandse cultuur. Een groot aantal intellectuele Brabanders vestigde zich in Hollandse steden en zette al spoedig de toon in Amsterdam. Daar werden de grondslagen gelegd voor een algemeen beschaafde uitspraak van het Nederlands, geschoeid op Amsterdamse leest.
De snelle opbloei van Amsterdam, die mede veroorzaakt werd door de invloed van de immigranten, versterkte het zelfbewustzijn van zijn inwoners, en het Amsterdams-Hollands werd vanaf het begin van de zeventiende eeuw hoe langer hoe meer de standaardtaal.
Veel schrijvers beginnen de taal die nu onder de gegoede en intellectuele burgerij van de Hollandse steden werd gesproken, te gebruiken als standaard schrijftaal. Het Brabants bleef echter een sterke invloed uitoefenen, en kende een voorname representant in de schrijver Vondel.
Gedurende de gehele zeventiende eeuw hebben tal van spraakkunstenaars regels opgesteld voor een algemene schrijftaal, waarbij ze zeer weinig rekening hielden met de gesproken omgangstaal. Toen in 1637 de Statenbijbel verscheen, was het vooral in protestantste kringen dat de taal van deze bijbel als de enige juiste werd beschouwd. God sprak tot hen in het Amsterdams-Hollands (hoewel met een Brabants accentje), en Zijn woord was wet.
Vanuit zijn economisch machtige positie gaf Holland de toon aan in de handel en de politiek, en iedereen die niet de mindere wenste te zijn van de Hollanders, nam niet alleen de Hollandse manieren over, maar vooral ook de taal.
Men kan het moderne Nederlands dus het best omschrijven als in oorsprong de taal van de beschaafde kringen in de Hollandse steden. Dit is echter lange tijd slechts de norm geweest voor betrekkelijk weinig mensen. De overgrote meerderheid, vooral bestaande uit de kleine burgerij, sprak nog lange tijd vrijwel uitsluitend het plaatselijke dialect, en tot op de dag van vandaag is dat nog steeds het geval op het platteland. De invloed van onderwijs, radio en televisie heeft dan wel veel bijgedragen aan een op het eerste gezicht lijkende eenheidstaal, nog altijd is de woonplaats of herkomst van een groot deel van de bevolking te herkennen aan bepaalde dialectische eigenaardigheden.
In de zuidelijke Nederlanden kon zich, na de scheiding tussen België en Holland in 1830, geen Algemene Nederlandse Omgangstaal vormen, omdat in tegenstelling tot het noorden geen enkele stad haar dialect aan het geheel wist op te dringen. Lag de basis van wat men tegenwoordig de “Nederlandse cultuur” noemt nog in Vlaanderen en Brabant, militaire en politieke gebeurtenissen zorgden hier voor verval en toen Vlaanderen ook nog bij een Frans gebied werd gevoegd om het onzalige België te vormen, was de kous af. De Vlaamse Beweging zorgde echter voor een wederopstanding van het Nederlands in Vlaanderen en dat culmineerde in 1952 in de Woordenlijst van de Nederlandse Taal, opgesteld door een Nederlands-Belgische commissie. In de gesproken taal mogen dan tal van verschillen bestaan in klank en intonatie, de geschreven taal heeft in Noord en Zuid dezelfde spellingsvoorschriften.
Het verschijnen van de Nieuwe Woordenlijst der Nederlandse Taal in 1954 gaf echter aanleiding tot heel wat misverstanden. Alle daarin voorkomende woorden werden in Vlaanderen al snel beschouwd als de basis van de beschaafde omgangstaal, terwijl het de toonaangevende gemeente – in dit geval dus het Noorden – is die bepaalt wat het Algemeen Nederlands is. Het kwam er dus op neer dat niemand nog iets met de Woordenlijst kon beginnen en dat men steeds vaker moest terugvallen op de Van Dale, die inmiddels het gezag van de Statenbijbel lijkt te hebben overgenomen. Sinds men in de nieuwste druk van de Van Dale de term “Zuid-Nederlands” niet meer hanteert ter omschrijving van bepaalde lemma’s, is het voor de Vlaming aanzienlijk moeilijker geworden om erachter te komen wat gewenst is volgens de spraakmakende gemeente, en zal de Zuid-Nederlandse beiaard steeds meer moeite te hebben om in de maat te blijven me het Nederlandse carillon.
En tja, dan lees je opeens in een Nederlandse boekbespreking dat Krieuwels in m’n oor van de Vlaming Jos Brabants “helaas slecht leesbaar [is] door de vele onbekende Vlaamse woorden zoals pistolet, kittelorig en bokaal.”
Dat “pistolet” in de woordenlijst is opgenomen is dus geen aanbeveling voor de juistheid van het woord. Maar als men Van Dale (1976) openslaat en dan onder “pistolet” vindt: “langwerpig broodje met in’t midden een groef” en nergens de vermelding Zuid-Nederlands, begint men zich vragen te stellen over de kennis van het Nederlands van de recensent. Het gaat zelfs verder, want het woordje “pistolet” komen we wel tegen in Nijhoffs Zuid-Nederlands Woordenboek, waar achter “pistolet” het volgende staat vermeld: “klein rond broodje met een harde korst, aan de bovenkant veelal in twee helften verdeeld: (hard) broodje; ook: kadetje (veelal met zachtere korst)”. En wat ziet men dan, als men de verklaring van “kadetje” opzoekt in Van Dale: “klein langwerpig broodje met een dwarse deuk – thans ook wel een klein rond broodje (eigenlijk de helft van een kadetje)”.
Er is dus duidelijk een verschil tussen een “pistolet” en een rond “kadetje”, een “pistolet” heeft een dwarse deuk of groef, terwijl een rond “kadetje” dat niet heeft. Eerder reden dus voor de recensent om opgetogen te zijn en te wijzen op de taalverrijking die het Nederlandse kind hier kan opdoen.
Komen we bij “kittelorig”. Men heeft Van Dale maar open te slaan om te weten dat de recensent taalonkundig is.
Rest er “bokaal”. Hier is een duidelijke afwijking wat het taalgebruik betreft. In het Zuid-Nederlands blijkt bokaal een veel groter aantal betekenissen te hebben dan Van Dale aangeeft. Hier speelt dus inderdaad de spraakmakende gemeente.
Dat het Noorden echter aan taalimperialisme doet komt het best tot uiting in de opmerking in een recensie: “Hoewel (…) er vele Vlaamse woorden worden gebruikt, is het een goed verhaal.”
Is het gewoon dat spraakmakende gemeente ook vreemde woorden opdringt aan zijn partners? Nemen we bijv. “oerwoud”, “wildernis” en daarnaast het van het Maleis stammende “rimboe”, komend uit de Nederlandse koloniale periode, terwijl het in Vlaanderen algemeen gebruikte “brousse” enkel in het Zuid-Nederlandse Woordenboek voorkomt. “Brousse” stamt uit het Belgisch koloniaal verleden.
Wanneer twee handen een Taalunie vormen zou het voor het spraakmakende land een daad van grootmoedigheid kunnen zijn in besprekingen van boeken van het andere land, de “racistische” opmerkingen over de taalverschillen te laten vallen en enkel te wijzen op dat wat ons bindt. Daarom dringen wij er op aan dat van de opmerkingen (zowel positief als negatief) zoals die in bijgevoegde lijst zijn opgenomen.’ De lijst die de brief vergezelde wordt hier niet opgenomen.

uit: Uitgevers komen in de hemel : herinneringen - Walter Soethoudt

____