‘Spreekt u alstublieft, excellentie!’zei Klaus Heinrich, wel enigszins van zijn stuk. Onwillekeurig ging hij meer rechtop zitten, zoals men zich schrap zet in de tandartsstoel en zich concentreert op een pijnlijke operatie…
‘Onverdeelde aandacht is noodzakelijk,’ zei de heer von Knobelsdorff op bijna strenge toon. En nu volgde, in aansluiting op de onenigheden met de begrotingscommissie, een voordracht, een helder, grondig en onopgesmukt, van cijfers en tussengevoegde toelichtingen op de basissituatie en de vaktermen voorzien college, een leerrijk verhaal over de economische toestand van het land, de staat, waardoor de prins een onverbiddelijk helder beeld kreeg van onze complete droevige toestand. Natuurlijk waren deze zaken niet volkomen nieuw en vreemd voor hem; ze hadden voor hem immers, zolang hij zijn representatieve plichten vervulde, gediend als aanleiding en onderwerp voor de formele vragen die hij placht te stellen aan burgemeesters, plattelanders, hoge beambten, vragen waarop hij antwoorden kreeg de alleen als antwoord waren bedoeld en niet over de dingen zelf spraken, en die ook wel gepaard gingen met het glimlachje dat hij van kindsbeen af kende en dat zei: ‘Ach, onschuldje dat je bent!’ Nog nooit echter was dat alles met zo’n zware en naakte nuchterheid tot hem doorgedrongen, om zijn gedachten in volle ernst in beslag te nemen. De heer von Knobelsdorff nam volstrekt geen genoegen met het gebruikelijke, vlijtig bemoedigende knikken van Klaus Heinrich; hij pakte de zaak zorgvuldig aan, hij overhoorde de jonge man, hij liet hem complete toelichtingen herhalen, hij hield hem zonder pardon in de ban van het feitelijke, en het was of er een wijsvinger was die, rimpelig en droog van huid, bij de afzonderlijke punten bleef staan en pas verder ging wanneer het bewijs van werkelijk inzicht was geleverd.
De heer von Knobelsdorff begon met de grondslagen en sprak over het land en de achterlijke toestanden op gebied van handel en industrie, over het volk, Klaus Heinrichs volk, die praktische en brave, gezonde en primitieve mensensoort. Hij sprak over de ontoereikende staatsinkomsten, de onrendabele spoorwegen, de onvoldoende opbrengst van de kolenmijnen. Hij sprak over het bos-, jacht- en weidebeheer, hij sprak over de wouden, over de overmatige houtkap, de overmatige verwijdering van bladaarde, de verslechtering van de boomkwaliteit, de teruggelopen opbrengst van de bossen. Toen ging hij nader in op ons financieel beheer, hij sprak over het natuurlijke onvermogen van het volk om belasting op te brengen, schetste het verwaarloosde financiële beleid van vroegere tijden. En daarna kwam hij te voorschijn met het bedrag van de staatsschuld, dat de heer von Knobelsdorff de prins meermalen liet herhalen. Het was een bedrag van zeshonderd miljoen. En verder ging de les, over obligaties, over rente- en terugbetalingsvoorwaarden, hij keerde terug naar de zorgen van dr. Krippenreuther en gaf een beeld van de uiterst ongunstige situatie van het moment. Aan de hand van het Tijdschrift van het bureau voor de statistiek, dat hij opeens uit zijn zak toverde, stelde de heer von Knobelsdorff zijn leerling op de hoogte van de oogstopbrengst van de afgelopen jaren, hij gaf een opsomming van de rampen en plagen die misoogst hadden veroorzaakt, wees op de belastingderving die deze met zich meebracht en maakte zelfs melding van de ondervoede gestalten op het platteland. Toen stapte hij over op de algemene situatie van de geldmarkt, weidde uit over de prijsstijgingen, over de algemene economische depressie. En Klaus Heinrich hoorde van de lage koersen, de onrust onder de schuldeisers, de afvloeiing van kapitaal, de faillissementen; hij zag in hoe geschokt ons krediet was, hoe gedevalueerd onze papieren waren en begreep volkomen dat de uitschrijving van een nieuwe lening vrijwel onmogelijk was.
____
