Toch is dat niet juist. Veel bewijs dat de publieke opinie wordt gevormd door bekrompen eigenbelang is er namelijk niet. In 1998 schreef Donald Kinder, hoogleraar politicologie aan de Michigan University een gezaghebbend werk over de resultaten van dertig jaar onderzoek naar dit thema. Hij noemt de effecten van eigenbelang op politieke visies ‘te verwaarlozen’. ‘Te verwaarlozen!’
Kinder schrijft:
‘Wanneer blanke en zwarte Amerikanen te maken krijgen met positieve discriminatie van minderheden, vormen ze een mening zonder na te denken over hun persoonlijke voor- of nadeel. Werklozen zullen geen beleid steunen dat het verlichten van economische problemen ten doel heeft. Mensen die de medische zorg die ze nodig hebben niet kunnen betalen zullen waarschijnlijk niet positiever tegenover een algemene zorgverzekering staan dan de volledig verzekerden. Ouders van kinderen op openbare scholen zullen een overheidssteun aan het onderwijs niet feller verdedigen dan andere mensen, noch zullen mensen die de kans lopen het leger in te moeten sterker ageren tegen militaire interventie of potentieel escalerende conflicten. Buitenshuis werkende vrouwen verschillen niet van huisvrouwen als het op steun aankomt voor beleid waarvan alleen werkende vrouwen voordeel hebben. In allerlei verschillende zaken, van het uitbannen van rassenscheiding in bussen en op scholen, alcoholvoorschriften, verplichte schoolonderzoeken, woningbeleid, tweetalig onderwijs, naleving van de wetten, tot schadevergoedingen bij uitspraken in rechtsgeschillen, controle op wapenbezit enzovoort blijkt eigenbelang volkomen onbelangrijk.’Deze bevindingen druisen verrassend genoeg tegen elke logica. Als mensen niet opkomen voor hun eigen belang, voor wiens belang dan wel?
Het antwoord op deze vraag ligt genuanceerd. Ten eerste lijkt het eigenbelang er wel degelijk toe te doen zodra de gevolgen van een overheidsbeleid omvangrijk, voelbaar en onmiddellijk zijn. In 1978 werd in Californië met een wetsvoorstel, het zogeheten Proposition 13, een scherpe daling van de onroerendgoedbelasting geëist, in ruil voor even scherpe verschraling van publieke diensten als scholen, bibliotheken, politie en brandweer. De huiseigenaren, die schoon genoeg hadden van de enorme belastingverhogingen die de gestegen huizenprijzen met zich meebrachten, stemden toen vóór dat voorstel. Anderen, waaronder bibliothecarissen en brandweerlieden, stemden tegen. Ten tweede bepaalt ons eigenbelang waar we aandacht aan schenken, ook al wordt ons standpunt er niet door beïnvloed. Bij Proposition 13 was het bijvoorbeeld te verwachten dat huiseigenaren en ambtenaren een weloverwogen mening hadden over het voorstel, zelfs al kwam die misschien niet overeen met hun persoonlijk eigenbelang.
Maar het draait niet altijd alleen om eigenbelang: het gelijkheidsbeginsel, individualisme, democratische idealen, mensenrechten en dat soort zaken vinden we mogelijk belangrijk, zelfs wanneer ze niet direct in ons belang zijn. Waarschijnlijk luisteren we niet graag naar de meningen van een of andere politieke splintergroep, maar we verdedigen wel hun recht op vrije meningsuiting. En misschien is de kern van het verhaal wel dat het belang van de groep vaak een betere graadmeter is voor politici dan het belang van het individu. Kinder stelt dat mensen zich in hun meninsgvorming vaak minder afvragen wat ze er zelf aan hebben, dan wat de groep eraan heeft.
Ons groepsgevoel kan gebaseerd zijn op ras, klasse, geloof, geslacht, regio, politieke partij, bedrijfstak of talloze andere, uiteenlopende dimensies.
Een soortgelijk idee kwam van James March, hoogleraar bij de Stanford University, met zijn suggestie gebruik te maken van twee basale besluitvormingsmodellen. Het eerste model omvat het inschatten van de gevolgen. We wegen alternatieven tegen elkaar af, bekijken de mogelijke effecten en kiezen voor het alternatief dat het beste effect sorteert. Dit model is in het economieonderwijs de meest gangbare opvatting voor besluitvorming: ‘Mensen zijn egoïstisch en rationeel. De rationeel handelende mens vraagt zich af welke sofa het mooist is en het meeste comfort biedt voor de laagste prijs. Welke politieke kandidaat zal zijn financiële en maatschappelijke belangen het best dienen?
Het tweede model is totaal verschillend. Dat gaat uit van het idee dat mensen een beslissing nemen op basis van hun identiteit. Ze stellen zich drie vragen: ‘Wie ben ik? Wat is mijn situatie?’ en ‘Wat doen mensen als ik in dit soort situatie?’
Bij dit tweede model houden men zich niet bezig met het analyseren van gevolgen of resultaten voor henzelf. Normen en principes tellen, geen berekeningen. Welke sofa zou iemand als ik – een accountant uit het zuidoosten van het land – kopen? Welke politieke kandidaat zou de steun van een boeddhist uit Hollywood krijgen? Het is bijna alsof mensen te rade gaan bij een ideaal zelfbeeld: ‘Wat zou iemand als ik doen?’
____
