Ze spreken natuurlijk allemaal Frans (hoewel dat onderling nogal verschilt), maar behalve deze voor de hand liggende linguïstische verwantschap zou men een zeer lange lijst van onderlinge verschillen en tegenstellen kunnen opstellen die duidelijk de kunstmatigheid zou aantonen van elke reductionistische poging om ze te verwisselen en om hun goed gedefinieerde en onverenigbare individuele persoonlijkheden op te lossen in een enkele kudde die hen zou vertegenwoordigen en waarvan ze tegelijk uitwassen en woordvoerders zouden zijn. Want het is bovendien evident dat het niet moeilijk moet zijn om bij elk van hen een afstamming of dynastie van verwanten te vinden die de grenzen van het Frans-zijn overtreden, in de meest diverse en verst verwijderde delen van de wereld, en te ontdekken dat elk van hen, zonder op te houden Fransman of Française te zijn – en juist omdat de cultuur waarin zij werden geboren de capaciteit om zich los te maken van de kudde bij hen stimuleerde – in staat was om een eigen identiteit te creëren gedurende een heel leven – met grandeur of schanddaden, met inspanning of geluk, via intuïtie of kennis, met geheime begeerten en neigingen – dat wil zeggen, de capaciteit om tegelijk vele andere dingen te zijn dan wat ze waren door de meest precaire en armzalige van alle omstandigheden: de plaats waar ze werden geboren.
Gemakshalve kunnen we zeggen dat Frankrijk waarschijnlijk meer dan enige andere Europese cultuur heeft bijgedragen tot het feit dat het individu zich kon bevrijden van de dienstbaarheid binnen de kudde, tot het verbreken van de ketens die de primitieve mens binden aan een sociale groep, dat wil zeggen, tot de ontwikkeling van de vrijheid die ervoor gezorgd heeft dat de mens niet langer een onderdeel is van een sociaal mechanisme en allengs veranderde in een soeverein wezen, in staat om beslissingen te nemen en zich op te werken tot een vrij en autonoom wezen, de schepper van zichzelf, veel gedifferentieerder en rijker dan wat alle sociale coördinaten of collectivistische valstrikken – religie, natie, cultuur, beroep, ideologie, enzovoort – mogen zeggen over hun ‘identiteit’. Dit werd briljant aangetoond door Sartre, toen hij in L’Idiot de la famille, zijn gigantische studie over Flaubert, probeerde te achterhalen ‘wat men tegenwoordig over een mens kan weten’. Aan het einde van het derde deel had het onvoltooide onderzoek alleen duidelijk gemaakt dat die schijnbaar zo routineuze en statistische Normandische schrijver een bodemloze put was, een duizelingwekkende afgrond van ingewikkelde culturele, psychologische, sociale en familiale genealogieën, een kluwen van persoonlijke keuzes die aan elke generische classificatie ontsnapte. Als dat proces van individualistische differentiatie ten tijde van Flaubert al leidde tot een zo geavanceerde menselijke eigenschap, zal de zelfgekozen werkelijkheid die het individu vormt sindsdien waarschijnlijk veel meer zijn toegenomen dan in de hele voorgaande geschiedenis van de mens; zozeer dat (hoewel we om elkaar te begrijpen – en vooral uit mentale luidheid en ideologische lafheid – blijven spreken over het typisch Franse, of het Spaanse, het Engelse en het Duitse) die abstracties in feite referenties zijn die steeds meer verwarring teweegbrengen en steeds minder geschikt zijn om iets uit te leggen over concrete individuen, behalve op het bureaucratische en administratieve vlak, dat wil zeggen, het terrein dat de mens ontmenselijkt, hem zijn individualiteit ontneemt, reduceert tot een soort en alles uitwist wat hij aan specifieks en eigens bezat.
De Franse identiteit [fragment]
____
