De man spreidde zorgvuldig een pagina van El Adelantado de Segovia uit op de roemrijke grond, zette de vier punten ervan met stenen vast en haalde zijn gereedschap uit zijn ransel. Het gereedschap was oud en solide als de gedachten die de wind laat rollen onder de eiken, of langs de spichtige populieren, of over de naakte rotsen.
De schraper en de pelikaan, de grote en de kleine tang, het grijpijzer, de klauwbeitel en de pincet – één stuk ijzer voor elk van de zeven hoofdzonden? – verkilden de kille lucht langs de weg met hun kille, onheilspellende, afwachtende uiterlijk.
‘Koelbloedigheid is het recept. Dat zegt de hoofdexaminator van het Protobarbieraat des Konings, monsieur Richard le Preux, die om zo te zeggen een geleerde is. U kunt het lezen in dit boek terwijl ik het gereedschap opwrijf.’
Het boek dat de zwerver te lezen kreeg, is dun en vrij recent: een boek van honderdvijfentwintig jaar geleden. Het is gebonden in perkament en heet: Hedendaags leerboek voor heelmeesters, waarin gesproken wordt over aderlating en het gebruik van zuignappen en bloedzuigers, en over de ziekten van het gebit die noodzaken tot het trekken van snijtanden, hoektanden of kiezen, alsmede de kunst van het trekken daarvan. Het boek is samengesteld door monsieur Richard le Preux, eerste chirurgijn en heelmeester aan het hof van koning Louis I, en voorzitter en hoofdexaminator van het Protobarbieraat des Konings. Het boek is, met alle vergunningen, gedrukt in Madrid door de weduwe Barco López.
‘En verder, mijn vriend, is dit gereedschap van bovenstebeste kwaliteit. Het is het gereedschap dat ik gebruik bij vooraanstaande patiënten, de adel en iedereen die, zonder van adel te zijn, twee peseta’s per extractie betaalt, zoals zij doen. Dit gereedschap is gesmeed uit ijzer dat nog van de Inquisitie is geweest, en dit ijzer heeft al zoveel bloed gezien, dat het het bloed nu verjaagt en de bloedingen stelpt. Wilt u mij de twee peseta’s geven?’
‘Alstublieft, hier zijn ze.’
‘Hartelijk dank, ik berg ze op bij de rest. Wilt u in deze kuil gaan zitten?’
De zwerver was doodsbang en zag lijkbleek. Tot overmaat van ramp dacht hij dat zijn kies al minder pijn begon te doen.
‘Vooruit dan maar, zoals u wilt.’
De chirurgijn veegde de schraper af onder zijn oksel.
‘Mag ik u vastbinden?’
‘Moet dat heus?’
vertaald door Ton Ceelen
Joden, moren en christenen [fragment]
uit: Joden, moren en christenen : Spaanse reisverhalen - Camilo José Cela

____