zondag 5 oktober 2008

De plotseling ontblote schedel van de toneelspeler

Hij opende de deur, deed het licht aan en zei: ‘Ga zitten.’
Tegen de wand van het vertrek, dat ze niet geheel konden overzien doordat een van de hoeken door een van het plafond afhangend, roodgestreept gordijn was afgeschermd, stond een lange, smalle bank zonder rugleuning. Op een eenvoudige ruwhouten tafel stond een naar achteren geklapte goedkope spiegel met bobbelig glas, en voor de tafel een zitbankje.
‘Laten we de kapper alle eer bewijzen, mannen.’ Met één hand rukte hij het gordijn opzij, waarachter honderden pruiken verborgen leken te zijn, die aan lange, aan de wand bevestigde stangen hingen. Blonde, donkere, grijze, gekrulde, golvende en steile, die, doordat ze van hun raison d’être waren beroofd, een hulpeloze en onzegbaar trieste indruk maakten. Het menselijke haar behoudt altijd iets van zijn menselijkheid, zelfs nadat het is afgeknipt. Een blonde damespruik met twee lange vlechten scheen te verlangen naar het vrouwenhoofd waar hij voorgoed van was gescheiden. De vlechten zochten moedeloos in de lege ruimte naar een paar schouders om zich op te ruste te leggen. De zware manen die eens de nek van een anti-Habsburgse opstandeling hadden omgolfd, hingen nu hopeloos omlaag en het lange, verwarde haard viel piekerig over een onzichtbaar voorhoofd. Aan weerszijden van de gladde scalp die men een kaalkop had ontnomen, hing een witte haarlok, en onder de lokken bungelden, wasachtig glanzend, de oren van een grijsaard, die al heel wat gehoord hadden maar hun geheimen listig voor zich hielden. Alle pruiken bewaarden iets van het karakter van de mens uit wiens haarwortels zij waren gesproten, zodat er onder hen ontelbare onzichtbare gehangenen bungelden en ze de herinnering wekten aan een verschrikkelijk bloedbad dat de beul aller tijden, de tijd, onder hun voormalige eigenaren had aangericht.
‘De kapper heeft een bovenmenselijke kracht,’ verklaarde de toneelspeler. ‘Hij doet wat dat betreft nauwelijks onder voor de natuur.’ Hij haalde diep adem en vervolgde: ‘Alleen is hij veel handiger.’
Hij ging voor de spiegel zitten en bekeek zichzelf geruime tijd.
‘Er zijn pruiken die zelf acteren.’ Hij trok een la open. ‘Neem bijvoorbeeld deze blonde… Hoe vaak heeft die niet in mijn plaats gespeeld!’ Met een plotselinge beweging rukte hij zijn pruik af. De beweging was zo verrassend en het effect zo dramatisch dat de jongens, die tot dan toe zwijgend en geboeid op de bank hadden gezeten, zich gelijktijdig oprichtten. Tibor sloeg zelfs de hand voor zijn mond. Toch wisten ze allemaal dat de acteur een pruik droeg en die geregeld voor een andere verwisselde om zich aan de kleuren van het seizoen aan te passen. Soms was de pruik koel lichtblond, soms ook zuidelijk donker. Een haarwisseling was dus niets bijzonders, maar de woeste beweging waarmee hij zijn pruik had afgerukt, was zo ontluisterend geweest dat ze een bijna lichamelijke pijn voelden. Had de toneelspeler zich stoutmoedig een arm uitgerukt of geprobeerd zijn hoofd van zijn romp te draaien, dan had hij hen niet meer verrast dan nu. De plotseling ontblote schedel van de toneelspeler, glad als een biljartbal en sneeuwwit, was zo naakt en lichamelijk, zo onverhuld en schaamteloos bloot dat het leek alsof de man al zijn kleren had afgeworpen en poedelnaakt voor hen stond. Met zijn bleke hand streek hij over de gladde schedelhuid, boog zich onverschillig naar de spiegel en bekeek vakkundig zijn hoofd.
‘Zorg ervoor dat je haar nooit met water in aanraking komt,’ zei hij terwijl hij zijn vuist in de blonde pruik stopte en teder de krullen streelde. ‘Dat is het allerbelangrijkst. Jullie zijn nog jong en daarom zal ik je het geheim verklappen. Mij heeft helaas niemand tijd gewaarschuwd.’

uit: De opstandigen - Sándor Márai


____