Ontegenzeggelijk had zij gelijk, toen zij onder mijn eerste oefeningen pruilend de woonkamer verliet; het gebom op de slagtrom, het roffelrammelen op de diverse trommels, het kletteren op de bekkens, zelfs het tinkelen op de triangel, die nochtans een instrument vol verfijnde klanken is, waren aanvankelijk kannibalenlawaai, te meer daar ik veel last had met de gesyncopeerde ritmen. Ik sloeg overigens buiten de maat, overstemde de grammofoon, en bezat nog niet het soepel nuanceringsvermogen, waarmede een bonk tot een prevelende boem wordt beheerst. En haar ontsnapte natuurlijk achter dat grotesk bedrijf de moeizame inspanning van de ziel, die zich voor grotere vluchten oefende, de ziel, die de meubelfabrikant staalde in zijn enige en onsterfelijke trouw, de ziel, die zich in de beperking van vrouw en kind, van huisgezin en duistere versterving, verinnigde, verdiepte en dook in God.
Doch na weinige tijd had ik de jazzband in mijn bloed: ik bracht het er af alle slaggeluiden met gemeten kracht en sterkte in de grammafoonmuziek in te schakelen. Het waren eerst de hoekige ritmenrammelingen van charleston en foxtrot, de veel te weke melodische kronkels van java’s en blues. Ik klom op tot de melopeeën van spirituals, door volle negerstemmen gezongen. Zelfs ging ik veel veder: ik speelde slagwerkimprovisaties op oude meesters als Palestrina en Bach. Het was een dag van geluk en verzoekingen, toen een jong componist, waarmede ik kennis had gemaakt, zich zó door mijn jazz-executie vervoerd voelde, dat hij mij poogde over te halen om in de concertzaal op te treden.
De jazzspeler [fragment]
____
