vrijdag 10 oktober 2008

Een goudvis in een ronde kom van slaap

Ze sliep nog steeds, maar ze kon zich zelf uit haar slaap voelen opstijgen, net als een ballon. Het leek wel of ze een goudvis was in een ronde kom van slaap en al hoger en hoger door de warme waters van slaap naar de oppervlakte steeg. En dan zou ze wakker zijn.
En zo wás ze dan wakker. Maar ze deed niet meteen haar ogen open. In plaats daarvan lag ze heel stil en warm in haar bed. En het was of er nog een ander ballonnetje binnen in haar zat, dat almaar groter en groter werd en dat ook steeds hoger steeg – hoger, hoger. Nog even en dan was het bij haar mond; dan zou het naar buiten komen en floep! regelrecht tegen het plafond springen. Hoe langer hoe groter werd het ballonnetje in haar binnenste, zodat haar hele lichaam en haar armen en benen ervan begonnen te tintelen. Wat kan dat zijn? vroeg ze zich verwonderd af, terwijl ze haar ogen strak dichthield en zich de dingen van gisteren probeerde te herinneren.
‘Vandaag is je verjaardag,’ zei een stem vlak bij haar en meteen wipten haar ogen open. Daar, naast haar bed, stond een vreemde jongen met een mager, lelijk gezicht en met haar dat zó rood was, dat het een lichte gloed in de kamer bracht. Hij droeg een zwartfluwelen pak en rode kousen en schoenen, en van zijn schouder hing een enorme, lege boekentas.
‘Wie ben jij?’ vroeg ze, en ze keek de roodharige jongen verbaasd aan.
‘Ik heet Maurice,’ antwoordde de jongen. In zijn ogen blonken malle, gouden vlekken, als sprankels zonlicht. ‘Opstaan.’
Ze lag weer stil en keek de kamer rond. Het vreemdste van alles was, dat er niemand in de kamer was dan alleen Maurice en zijzelf. Anders als ze ’s morgens wakker werd, waren haar moeder en Dicky in de kamer, en kort daarna kwam dan altijd Alice om haar te helpen bij het aankleden en haar klaar te maken voor school. Maar vandaag was er niemand anders in de kamer dan de vreemde, roodharige jongen naast haar bed, die haar met zijn malle, geelgevlekte ogen aandachtig opnam.
‘Opstaan,’ zei de jongen weer.
‘Ik ben niet aangekleed,’ zei ze.
‘Ja, dat ben je wel,’ antwoordde de jongen. ‘Sta op.’

uit: De wensboom - William Faulkner

____