Er gebeurden een aantal dingen die mij de hele nacht wakker hielden. Het begon met de voetstappen van mijn vader die hijgend de trap op- en afrende. Ik moest zien wat hij ging doen. Dus verstopte ik me tussen de bougainvillea op het balkon. Daarvandaan kon ik de hele salon overzien met de kerstboom en de open haard waarin nog steeds een bleek vuurtje brandde. En bovendien kon ik mijn vader zien. Hij kroop onder de boom rond en stapelde een piramide van pakjes op. De pakjes, in paars en rood en goud en wit en blauw papier verpakt, ritselden terwijl hij ze verschikte. Het duizelde me, want door wat ik zag moest ik mijn beeld van alles herzien. Als deze cadeautjes voor mij bedoeld waren, dan waren ze klaarblijkelijk niet door Onze Lieve Heer besteld en door de kerstman bezorgd; nee, het waren cadeautjes die door mijn vader waren gekocht en verpakt. En dat hield in dat mijn gemene rotneefje Billy Bob en die andere rotkinderen niet gelogen hadden toen ze me pestten en zeiden dat de kerstman niet bestond. Het ergste was nog: wist Sook de waarheid en had ze me voorgelogen? Nee, Soook zou me nooit voorliegen, zij geloofde in de kerstman. Het was gewoon – nou ja, al was ze ergens in de zestig, in sommige opzichten was ze nog minstens zo’n kind als ik.
____
