De kok in het vlak van een doorgeefluik
voert niets uit, schort tegen de tegelmuur.
Jij verstaat niemand meer.
Je draagt een mes op zak.
Ik heb het veel en ver van je weg zijn nodig
om je meer eigen te zijn.
De geheimtaal waarin de vreemdeling schuilt.
Vertrek om in te wonen.
Vertoog om je te kleden.
Strikt en zorgvuldig pas je
de schil van een hard accent.
Je langzame lopen komt nauwelijks aan.
Eenmaal binnen
lost het op.
De laatste wijn en een karaf water.
Een plank waarop de borden klaar staan.
Weer mist
____
