Hoe betrokkener mensen zich voelen bij een conflict, des te gebrekkiger hun vermogen zich in een ander te verplaatsen. Een jonge Nederlandse militair is omgekomen bij een zelfmoordaanslag in Afghanistan. Iedereen in Nederland spreekt van een laffe daad.
Twintig jaar geleden lieten de Taliban bommetjes vervaardigen in vrolijke kleuren en vormen. Ze lieten ze achter aan de kant van de weg zodat kinderen ze als speelgoed zouden oppakken en hun handen zouden verliezen. Mensen die zoiets doen noem ik met een gerust hart laf. De daad van de man die zich vandaag in Tarin Kowt opblies bij een Nederlandse patrouille is verwerpelijk, gruwelijk en hels, onzinnig, niet te rechtvaardigen, gepleegd door een verziekte geest, maar láf?
Is het dan werkelijk zo moeilijk om de man voor je te zien in de minuten voorafgaand aan de klap? Het ronken van de motor overstemd door het bonken van zijn hart. De muffe geur van het buskruit onder zijn stoel. Aan het spiegeltje bungelt een medaillonnetje van roze plastic met een foto van zijn twee dochters daarin. Hij ziet ze wel bungelen, maar durft er niet meer naar te kijken. Er komt een auto aan. Hij dwingt zichzelf te luisteren of het al een militair voertuig is. Nee, het is een zandwagen, hij heeft nog even. Ineens moet hij denken aan een tochtje dat hij met zijn vader maakte toen hij elf was, en ze in een bergbeek ‘hoertjes’ gingen vangen. Kleine glibberige visjes. In een ondoordacht moment vertelde hij zijn vader hoe de vriendjes met wie hij vliegerde die beestjes noemden. Even was hij bang geweest dat de man hem een oorvijg zou geven, maar hij moest alleen maar lachen. Voortaan was het hun geheime naam voor kleine glibberige visjes.
Schandelijke gedachten. De man achter zijn stuur probeert ze uit te bannen door hardop een aantal soera’s te zeggen. Dat werkt. Even is er alleen weer dat kloppen van zijn hart. En het bungelen van de foto op de wind door zijn open raampje. En die ene gedachte waarmee hij vanochtend opstond: dat dit de dag is. Een vreselijke dag en toch de dag waarnaar hij heeft toegeleefd. Toen hij de keuken in liep was zijn vrouw bezig met de voorbereidingen voor een maaltijd die hij niet meer zou gebruiken. Zij begreep niet waarom hij haar ineens zo van achteren omhelsde en sloeg hem van zich af, spelend dat ze geschokt was maar kirrend van plezier, net als vijftien jaar geleden. Voor de deur zaten zijn dochters in de schaduw van het huis. Het liefst had hij hen willen kussen, maar hij durfde niet. Bang dat hij zich zou verraden. Bang dat de geur van hun haren hem aan het twijfelen zou brengen over de heilige opdracht die hij had gekregen. Dus liep hij door, startte zijn auto, draaide de ramen naar beneden en riep alleen: ‘Dag, engeltjes!’ maar die woordjes werden overstemd door het ronken van zijn auto en de meisjes keken niet op.
Hieraan denkt de bestuurder van de auto vol explosieven op het moment dat de Nederlandse tankwagen de hoek om draait. Tussen alle gevoelens die hem tegelijk bespringen zoekt hij wanhopig naar zijn verstand. Maar ze hebben hem goed voorbereid. Zijn voet heeft het gaspedaal al ingedrukt.
Waanzin is het, een desastreuze daad, niet alleen voor de mensheid in het algemeen en de familie van de slachtoffers in het bijzonder, maar vooral ook voor zijn eigen ziel. Dom is het, verschrikkelijk, religieus, zinloos en abject, maar één ding is het niet.
____
