Het woord wordt in de mond, in het gehoor, in de betekenis, in het verband geproefd – en door beiden verworpen. Si comprehendis non est Deus. Niet zeggen waarover je spreekt. Dii verba invertunt. Woorden die ontkennen wat ze benoemen… Zeg het woord ‘vredesduif’ en je roept oorlog op.
Zo, wanneer ze in het café tegenover elkaar zitten, de broodmagere kippen; hun oude vingers raken elkaar midden op de tafel, tikken elkaar aan als er iets op komst lijkt, iets gemeenschappelijks uit de steeds ongrijpbaarder taal. Ze piekeren urenlang over een gemeenschappelijk woord. Aan welk register, welke bijklank, welke oorspronkelijke betekenis, welke verborgen reputatie raakt het woord?
Niet hij praat tegen haar, niet zij tegen hem. Beiden proberen ze datgene te voorschijn te praten wat ontbreekt, al gebeurt het karig, zijn ze ontevreden met elk te vroeg vastgegrepen woord. Het gemeenschappelijke ontstaat heel langzaam, het gaat op vertalen. Niet het vertalen van een literair of wetenschappelijk werk. Ze vertalen… de taal van de derde die zo lang bij hen verkeerde en hen plotseling verliet. Wat zijn onbarmhartige nagalm de twee bejaarden te verstaan geeft is duister, moeilijk te ordenen. Ze sprokkelden het bijeen van elkaar slippen, uit elkaars rondzwervende blikken, van elkaars tastende vingers. En terwijl de ene misschien volhardt in zijn toestand van diepste, dierlijke zwijgen, wordt de andere juist beroerd door een windvlaag van stemmen, zodat moeiteloos, zonder enige inspanning, over haar lippen vloeit… ‘Laatkracht,’ roept ze vlug en trekt een nieuwe grens, ‘zoiets als laatkracht’, en een nieuwe proefopstelling neemt een aanvang. Maar ook dit woord, opgeroepen door talloze woorden die vermeden zijn, is het niet precies, hoewel het een beetje fonkelt, als het positielicht van een veerboot op de nachtelijke rivier. Maar toch reikt het niet verder dan zichzelf, leidt het niet tot een uitspraak die tot in alle details strookt met het wezen van het verleden van de derde. Wat er ook gebeurd mag zijn dient te worden verwoord, en het is die noodzaak die de twee bejaarden zo lang en mager heeft gemaakt, als knaagt aan de mens, als trok en rekte hem uit wat hij niet kan vertalen. Ze torenen al zo hoog dat ze door het raam van de bel-etage de gezinnen aan de avondmaaltijd zien zitten, als ze tenminste eens hun wigvormige gezicht zouden opheffen in plaats van het steeds op hun voeten gericht te houden.
____
