dinsdag 14 oktober 2008

Omleidingsbord

Een halve dag terug uit Londen – misschien wel het vreemdste bezoek dat we ooit hebben gebracht. Toen we in Gower Street kwamen bleek de straat afgesloten met een omleidingsbord. Geen spoor van schade. Maar bij Doughty Street was een menigte op de been. Juffrouw Perkins voor het raam. Meck. S. afgezet met een touw. Bewaking. Het huis zo’n dertig meter van het onze vandaan was om één uur in de ochtend door een bom getroffen. Volkomen in de as gelegd. Op het plein lag nog een niet geëxplodeerde bom. We zijn achterom gelopen. Hebben naast het huis van Jane Harrison staan kijken. Het huis smeulde nog. In elk geval de enorme berg puin en bakstenen. Daaronder alle mensen die in hun kelders waren gaan schuilen. Aan de kant die nog overeind stond hingen stukken stof tegen de muur. Een spiegel die geloof ik hing te bungelen. Als een uitgeslagen tand – de buren onbeschadigd. Ons huis intakt. Nog geen ruiten gebroken – nu misschien wel, als die andere bom inmiddels ook is ontploft. We zagen hoe Bernal met een armband om op de bakstenen sprong. Wie heeft er gewoond? Ik veronderstel de vrijgevochten jonge mannen en vrouwen die ik altijd vanuit mijn raam kon zien; de bewoners van het appartement die altijd bloempotten voor het raam hadden staan en op het bordes zaten. Alles nu aan flarden geschoten. De man van de garage achter ons – de ogen dof en hortend sprekend – vertelde dat hij uit zijn bed was geblazen door de explosie en een schuilplaats had moeten zoeken in een kerk. 'Harde koude banken,' zei hij, 'en een jongetje in mijn armen. Ik heb gejuicht toen het alles – veilig sein klonk. Ik ben geradbraakt.' Hij vertelde dat de moffen drie nachten achter elkaar overgevlogen waren om te proberen Kings Cross plat te gooien. Ze hadden Argyll Street half aan puin gebombardeerd, en ook winkels in Grays Inn Road. Toen kwam de heer Pritchard op een drafje naar ons toe. Hoorde het nieuws aan zonder een spier te vertrekken. ‘Ze hebben zelfs de onbeschaamdheid te zeggen dat wij op deze manier de vrede zullen aanvaarden…!’ zei hij: hij volgt de bombardementen vanaf het dak van zijn appartement en slaapt als een blok. Na een praatje met juffrouw Perkins en mevrouw Jackson – beiden overigens doodkalm – juffrouw P. had in haar schuilkelder op een kampbed geslapen – zijn we doorgereden naar Grays Inn. Hebben de auto laten staan en zijn een kijkje gaan nemen in Holborn. Een enorm gat aan het einde van Chancery Lande. Er kringelde nog rook uit op. Een of andere grote winkel met de grond gelijk gemaakt: het hotel er tegenover zag eruit als een grote schelp. In een slijterij zaten geen ruiten meer. Mensen stonden bij de tafeltjes – ik geloof dat er nog werd geserveerd. Bergen blauwgroen glas op de straat van Chancery Lane. Mannen die de resterende splinters uit de sponningen peuterden. Vallend glas. Daarna naar Lincoln’s Inn. Naar het kantoor van de N.S.: ruiten kapot, maar het gebouw verder nog intakt. We zijn er doorheen gelopen. Verlaten. Drijfnatte gangen. Glas op de trappen. Deuren op slot. Terug naar de auto. Een grote verkeersprop. De bioscoop achter Madame Tussaud opengereten: het toneel van buitenaf zichtbaar; wat stoffering die hing te wapperen. Alle ruiten van de huizen aan R. Park kapot, maar de rest onbeschadigd. En daarna kilometers lange ordelijk gewone straten – Bayswater en Sussex Square net als altijd – straten leeg – gezichten vertrokken en de ogen dof. In Chancery Lane zag ik een man met een handkar vol muziekboeken. Het kantoor van mijn typiste is vernield. Toen we in Wimbledon waren klonk de sirene: mensen begonnen te hollen. We zijn door lege straten zo snel mogelijk doorgereden. Paarden bevrijd uit de disselbomen. Auto’s langs de kant geparkeerd. Daarna sein veilig. De mensen waaraan ik nu moet denken zijn de slonzige concierges van huurkazernes, zoals in Heathcote Street; met weer een nacht voor de boeg; oude miezerige vrouwen in deuropeningen; vuil, armoedig. Maar goed – zoals Nessa aan telefoon al zei, het komt erg dichtbij. Ik vond me zelf een lafaard om voor te stellen niet twee keer op nr. 37 te overnachten. Ik was enorm opgelucht toen juffrouw P. belde en ons afraadde te blijven logeren en L. instemde.

Dinsdag 10 september 1940
uit: Schrijversdagboek 2 : 1933-1941 - Virginia Woolf