maandag 6 oktober 2008

Tegen alle verdere vervolging ingeënt

In strijd met een wijdverbreide mening zijn de joden niet achterdochtig. Of juister: ze zijn achterdochtig, precies zoals ze slim zijn, in de kleine dingen, maar goedgelovig en verschrikkelijk naïef in de grote. Tegenover de Duitsers legden ze een haast opzettelijk aandoende naïviteit aan de dag. Daarvoor zijn verschillende redenen aan te voeren.
Omdat een eeuwenlange ervaring hen ervan doordrongen heeft dat het hun lot is als honden getrapt te worden, hebben de joden een wanhopige behoefte aan menselijke sympathie en komen ze om die sympathie af te bedelen er zelf als eersten mee aan. De mensen vertrouwen, je op hen verlaten, hun beloften geloven, dat alles is een bewijs van sympathie. Gedroegen ze zich tegenover de Duitsers ook zo? Ja, helaas.
Een tweede factor die in hun gedrag meespeelde was de klassieke houding van de joden tegenover het gezag. Sinds een tijd nog vóór de val van Jeruzalem heeft een absoluut, ondoorgrondelijk gezag naar eigen willekeur over leven en dood van de joden beschikt, en dat heeft gemaakt dat ze zich, bewust of onbewust, het gezag zijn gaan voorstellen als een almachtige, jaloerse godheid. Argwaan koesteren tegen het gezag wanneer het iets belooft, of het nu goed is of kwaad, is een zonde waarvoor men vroeg of laat zal boeten, zelfs als die zonde niet tot uiting komt in daden, niet meer is dan een gedachte of gerucht.
En tenslotte: de kernidee van het jodendom is de idee van de gerechtigheid. Het uitdragen van die idee in de westerse beschaving is de zending van de joden geweest. Renan beschouwt haar zelfs als de grondgedachte waaruit de hele geschiedenis van Israël kan worden verklaard, tot de grote eschatologische profetieën, de Messiasgedachte en de belofte van de dag des Heren toe: die dag die eens, misschien morgen al, misschien in een verre toekomst, zal aanbreken als laatste der dagen en de gerechtigheid op aarde zal herstellen.
Om al deze redenen vertrouwden de joden van Rome de Duitsers, min of meer tenminste; ook – of misschien moeten we zeggen: vooral – na wat er op de zesentwintigste september was gebeurd. Het was alsof ze zich na die dag tegen alle verdere vervolging ingeënt voelden. Het zou onrechtvaardig geweest zijn als er nog erger kwam, en hun temperament verbood hun dat te geloven. Angst tonen had antipathie tegen de Duitsers, vooropgezette vijandigheid kunnen lijken. En tenslotte zou het een zonde geweest zijn tegen het gezag. Daarom lachten de joden die avond om de boodschap van gekke Celeste.

uit: 16 oktober 1943 : een joodse kroniek - Giacomo Debenedetti

____