woensdag 15 oktober 2008

Van lieverlede ontwaakten zijn hersens

Boven het verlaten beukenwoud rees de maan, maar nog zonder licht te schijnen. Het leek of de schaduwen, in het dichte loof der boomen genesteld, de hellingen van het gebergte afgleden, met de trage dampen van den dauw omhoog krulden tegen de donkere gedaanten der kloosters en der schamele boerewoningen aan de rivier en zoo zich verder uitspreidden over de duistere geploegde akkers. Behalve het dwalend piepen van snel voorbij scherende vledermuizen en het welluidende worken van kikkers vernam Drogon in zijn zeshoekig torenvertrekje aandachtig luisterend geen enkel gerucht. En gelijk de avond stil was, zoo was het stil in hem, eene rustigheid zonder gedachten welke een kalmen slaap vooraf gaat, het zoet gevoel voor een pooze vrij van verdriet te zijn.
Maar dan opende hij weer zijn oogen als in het gehuchtje de scharnieren van een schuurdeur knersten en zag naar buiten. Een ander maal hoorde hij in de gracht de visschen slokken of het gemorrel van een onrustigen vogel in de takken der boomen van ’t park. Hij zuchtte, keek overal rond; van lieverlede ontwaakten zijn hersens.
…En hij dacht aan den vrede in het Evangelie gepredikt en aan de zielen die geen rust op aarde vinden, maar als door kwelgeesten voortgestriemd gestadig moeten dolen zoekend naar een toeverlaat, een woning van den vrede die door den Heiland is gebracht.
En gelijk het water der rivier, donker en blauw, langzaam in regelmatige kabbeling voorbij stroomde, zoo vlotten allengs makkelijker zijne gedachten en gingen voorbij, zwaarmoedig…
Zonderling bevreemdend rees de verbeelding voor hem op, die hij had van de oorden waar de zon opging, een begrip hetwelk hij zich gevormd had naar de weelderige voorwerpen uit het Oosten. Daar was het land waar op dit oogenblik gewis de strijders voor ’t geloof hevig kampten met de rijke heidenen en in een dier gewesten bevond zich de met vuur en gedrochten bewaakte grot van den Ring. O! hoe menigkeer in slaaplooze nachten was hem die lichtrobijn voor de schreiensmoede oogen verschenen, als een belofte van zaliging, terwijl hij meende een onverstaanbaar gerucht van stemmen te hooren, die een tooverspreuk lispelden, maar wegruischten zoodra hij ze begrijpen wilde. Altijd was het geweest of er iets rondom hem zweefde dat hem het geluk zou brengen eener zegening, gelijk de Duif op het hoofd der Maagd Gods zegen had gebracht, en ook steeds was het geweest of de booze geesten die hem gevangen hielden het verjoegen. Dien Ring wilde hij zoeken. Doch telkenmale wanneer hij peinsde over zijn heengaan, over de vondst van het heilig kleinood en over de toekomstige vreugde, doemde tergend de herinnering op aan de Hongaarsche vrouw, die haar kind had gegeven aan hèm, en het kind was gestorven door zijn onverschilligheid. Dan knaagde de onrust diep in zijn hart en onophoudelijk hoorde hij zijn eed herhalen op hatelijk eentonigen dreun, een schrikkelijke spotternij dat hij geluk had beloofd, die geboren was met het teeken der verdoemenis.

uit: Drogon - Arthur van Schendel

____