maandag 3 november 2008

De Bezetting heeft hem geleerd dat alles oorlog is

In zijn Lettres à un ami allemand formuleert Camus hetzelfde requisitoir: ‘We dachten dat geluk de allergrootste verovering is, de verovering die we behalen tegen het lot dat ons wordt opgelegd. Zelfs toen we waren verslagen bleven we daaraan met heimwee terugdenken. Maar jullie hebben het nodige gedaan. We zijn de Geschiedenis binnengetreden. En vijf jaar lang is het niet meer mogelijk geweest te genieten van het gefluit van de vogels in de koelte van de avond. We moesten noodgedwongen wanhopen. We waren van de wereld gescheiden omdat met elk ogenblik van de wereld een hele reeks fatale beelden was verbonden. Sinds vijf jaar is er op deze aarde geen ochtend zonder doodsstrijd meer, geen avond zonder gevangenissen, geen middag zonder slachtingen.’En op zijn beurt legt Camus de gelofte van herinnering af. Hij belooft ‘de schoonheid van de wereld en van de gezichten’, dat wil zeggen de onvervreemdbare schat die hij bedwongen is op te offeren aan de almachtige haat en aan de eisen die strijd stelt, niet te vergeten. Samen met René Char begroet hij de Bevrijding dan ook als een vrijmaking van het gevoel en als een loskomen uit de logica van de oorlog. De Geschiedenis laat haar greep verslappen: het gaat er dus om, zegt Camus, onze politieke mentaliteit een nieuwe vorm te geven. Einde van het dualisme, dood van de strijd op leven en dood: de pluraliteit kan opnieuw ademhalen. Het gaat er dus om, zegt Char, ‘in allerijl zijn waarde terug te geven aan het wonder dat het leven van de mens, in zijn betrekkelijkheid, is’. Haat en broederschap waren pittige drankjes. Maar de tijd voor een sober leven is aangebroken: de dialoog, de vriendschap en de onzekerheid moeten hun rechten hervinden. Camus: ‘De democraat is bescheiden. Hij geeft toe in bepaalde opzichten onwetend zijn, hij erkent dat zijn inspanning deels riskant is en dat niet alles hem is gegeven. En uitgaande van die erkenning geeft hij toe dat hij de anderen moet raadplegen en wat hij weet aanvullen met wat zij weten.’
Camus en Char zullen snel van een koude kermis thuiskomen. Niet hún herinnering zal dan een centrale plaats in het denken gaan innemen, maar die van Sartre. Bij Sartre geen enkele onzekerheid. Geen enkele nostalgie naar alles wat niet oorlog is. Niet de geringste opstandigheid tegen de heerschappij van de enige keuzemogelijkheid. De Bezetting heeft hem namelijk geleerd dat alles oorlog is, en dat zelfs de vrede, de schittering van de wereld, de sierlijkheid van de lichamen en het geheim van de gezichten zijn doordrenkt van die constitutieve gewelddadigheid. Wanneer Char stelt: 'We zijn er voorstander van om, na de brand, de sporen uit te wissen en het labyrint dicht te metselen. Een uitzonderlijk klimaat wordt niet in stand gehouden', ontdekt de grondlegger van Les Temps modernes dat dat klimaat de regel, niet de uitzondering is en dat de politiek niet op het Verzet moet volgen, maar het juist moet voortzetten, radicaliseren en verdiepen tot een strijd tegen de maatschappelijke status quo. De volgens Char en Camus gruwelijk reducerende strijd op leven en dood tussen de menselijkheid en haar menselijke vijanden wordt door Sartre gezien en gevierd als de wet zelf van het zijn. En de auteur van L’Homme révolté, die had durven schrijven: ‘We leven niet alleen van strijd en haat. We sterven niet altijd met de wapens in de hand. Er is de geschiedenis en er is nog iets anders’, krijgt van Sartre dit sarcastische en snijdende antwoord: ‘Net als het meisje dat haar teen voorzichtig in het water steekt en zich afvraagt: “is het warm?”, bekijkt u de Geschiedenis met wantrouwen, u steekt er een vinger in, die u heel snel terugtrekt en vraag: “Heeft ze een betekenis?”
Volgens Sartre een absurde vraag. Valse uiterlijkheid. Zelfingenomen en leugenachtige houding. Iemand kan zijn eigen zijde kiezen in de Geschiedenis, maar hij staat nooit apart, buiten, op de achtergrond, op de oever. Wel of niet historisch zijn – dat kan de vraag niet zijn. De Geschiedenis is ons element, ons aquarium, onze leefomgeving. Er is geen buiten. Er niet iets anders. Noch het simpele geluk noch de passie van de wezens noch de sfeer van bepaalde plaatsen heeft het vermogen ons te onttrekken aan de omstandigheden. Iedereen zit in hetzelfde schuitje, niemand besluit overboord te springen of uit te stappen om in de zon te gaan liggen. Iedereen vaart mee, niemand stapt aan land. Of, om het met een ander maritiem beeld te zeggen, we zijn aan boord alvorens een bepaalde richting in te slaan. Geen richting kiezen is dus een manier van richting kiezen die er niet voor uitkomt. Zwijgen is deelnemen. Het hekelen van de logica van de oorlog, een oorlogsverklaring. Schone handen, een manier van zijn handen vuilmaken. De ivoren toren, een gevechtsstelling. Werkeloosheid, een initiatief. Desertie, betrokkenheid. Liefde voor schoonheid en voor wat duurzaam is, afkeer van de revolutionaire beweging. En Camus geeft blijk van zijn betrokkenheid bij de Geschiedenis door zijn daad om er afstand van te nemen. Juist door zijn weigering verbaal de wapens op te nemen stelt hij zich in dienst van de overheersers. Met zijn overpeinzingen over de aard van de beperkingen en zijn obsessie daarmee, ontmoedigt hij degenen die de dingen willen veranderen en verschaft nolens volens waardevolle argumenten aan de verdedigers van de bestaande orde. ‘U kwam in verzet tegen de dood,’ schrijft Sartre, ‘maar in de ijzeren gordels die de steden omringen kwamen andere mensen in verzet tegen de maatschappelijke omstandigheden waardoor de sterftecijfers toenemen. Een kind stierf, u beschuldigde de absurditeit van de wereld en die God die u hebt geschapen om Hem in het gezicht te kunnen spugen; maar de vader van het kind, als hij werkloos of ongeschoold arbeider was, beschuldigde de mensen: hij wist heel goed dat de absurditeit van onze positie in Passy niet dezelfde in als in Billancourt.’

uit: Een stem van de overkant - Alain Finkielkraut

____