Hij nam een teug van zijn drankje en vervolgde: ‘Nee, de sterren kunnen zich niet meer in dezelfde populariteit verheugen als vroeger. Zolang men geloofde dat het lot van de mens van de sterren afhing, werden ze gevreesd maar ook geliefd en vereerd. En als kind hebben we allemaal veel van de sterren gehouden toen we nog dachten dat het mooie kleine lichtjes waren die God ’s avonds aanstak om ons te plezieren, en we dachten dat ze voor ons twinkelden. Nu daarentegen, nu we wat meer van ze afweten, zijn ze voor ons alleen maar een constante pijnlijke, brutale herinnering aan onze eigen onbeduidendheid. Stel, we lopen een keer ’s nachts in gedachten over de Drottninggatan, in grootse, prachtige, ja baanbrekende gedachten, gedachten waarvan we gewoon aanvoelen dat geen mens ter wereld ze ooit eerder heeft kunnen of durven denken. Toegegeven, diep in ons onderbewuste ligt een jarenlange ervaring op de loer die fluistert dat we ofwel die gedachten de volgende ochtend zonder enige twijfel zijn vergeten, ofwel geen oog meer hebben voor het grootste en baanbrekende karakter ervan – maar dat maakt niet uit, dat maakt die gedachteroes niet minder heerlijk zolang als hij duurt. Maar je hoeft alleen maar per ongeluk eventjes omhoog te kijken en tussen twee plaatijzeren schoorstenen een sterretje doodrustig te zien staan schitteren en stralen, of je beseft dat je je gedachten evengoed meteen kan vergeten. Of je loopt naar de goot te kijken en je vraag je af of je er eigenlijk wel goed aan doet om jezelf dood te zuipen en of je misschien niet iets beters kunt verzinnen om de tijd mee zoek te brengen. En plotseling sta je – zoals mij een paar nachten geleden overkwam – naar een klein glinsterend puntje in de goot te staren. Na enig peinzen kom je erachter dat het de weerspiegeling van een ster is – het was overigens de ster Deneb, in de Zwaan. En meteen is het je duidelijk hoe belachelijk onbelangrijk de hele vraag is.’
____
