vrijdag 28 november 2008

Hij kon maar niet beslissen wie van hun beiden de verliezer was

Toch waren er dagen waarop hij dacht dat hij haar vergeten was. Maar dan dacht hij voortdurend, ik ben haar vergeten, en dacht dus aan haar. Hij kon maar niet beslissen wie van hun beiden de verliezer was, hij die alleen was achtergebleven, of zij die in een ver, vreemd land met een ander was getrouwd. Hij wou dat hij wist met wie hij medelijden moest hebben, met zichzelf of met haar, en dat er dan een rouwproces op gang zou komen, voor hem, voor haar, voor hen beiden.
En natuurlijk had hij kunnen weten hoe ze hem op een dag zou behandelen. Had hij niet weekend na weekend geschokt gehoord hoe ze Irene afsnauwde? Ze had het koud, ze had pijn hier en pijn daar, ze had honger, en Irene moest maar lopen en draven om het haar naar haar zin te maken, en dan nog was het nooit goed. Ach, ze had hem precies behandeld zoals ze haar moeder behandelde. Na afloop van het eerste jaar kende hij één op de tien studenten bij naam en nog niet met de helft daarvan had hij meer dan een paar woorden gewisseld. Ze was bang om alleen te zijn. Of om als andere mensen te zijn. In beide gevallen zou het zijn alsof ze niets was. Niet bestond. En het was prettig geweest om haar te troosten. Er voor haar te zijn. Lieve woordjes in haar oor fluisteren. Met zijn hand door haar krullen gaan. Zachtjes in haar nek bijten. Lager en lager. Het duurde erg lang voor hij besefte dat ze hem bij zich liet slapen om niet alleen te zijn. Haar geilheid, wulpsheid, verleidelijkheid, allemaal gefaked. Of toch grotendeels gefaked.

uit: Vogels - Kristien Hemmerechts

____