Alleen op de kop van het plateau liggen drie kleine rotsplaten die nu en dan bij zeer laag tij boven de zeespiegel uitsteken: Madiou, Schomeur en Ar-Men. De laatste, de meest westelijke, werd gekozen als bouwplaats. Op 16 april 1867 begon het werk met het boren van rijen gaten van dertig tot veertig centimeter diep en acht centimeter breed. Aan de metalen staven die daarin werden geslagen, kon een fundering worden bevestigd.
Het is nauwelijks voor te stellen hoe dit zich heeft voltrokken. Alleen ’s zomers en bij gunstige weers- en zeeomstandigheden konden de arbeiders op de slechts 100 tot 120m2 grote rotsplaat werken. Een van hun armen werd vastgeklonken; anders zouden ze kunnen worden meegesleurd door golven die hier als spoken kunnen opduiken. Met de andere werkten ze traag voort, nu en dan alsnog onderbroken door plotselinge wind en golven. Die dwongen hen zich plat op de rotsen te drukken en sloegen soms de werktuigen uit hun handen. Regelmatig stonden ze tot hun enkels in het water. Op een dag konden de schepen door onverhoeds verschenen hoge golven onmogelijk naderen en waren de arbeiders gedwongen ernaartoe te zwemmen.
Het eerste jaar leverde negen landingen op, negen effectieve werkuren en vijftien boorgaten. Ook later heeft men voor dit werk nooit meer dan tweeënveertig werkuren per jaar gehad. Elke keer als er iets was bevestigd, moesten er de daaropvolgende keer – als het niet door de golven was ontmanteld – met zoutzuur algen en schelpen van worden verwijderd om de aanhechtingen te garanderen. Pas in 1869 kon het metselwerk voor de 9,5 meter hoge onderbouw beginnen. De toren werd opgetrokken uit kersantiet, een zeldzame vulkanische steensoort. Het lijkt op graniet, maar erodeert veel minder, hecht uitstekend aan mortel en hardt in de loop der jaren verder. Een deel van de sokkel van het Vrijheidsbeeld is ermee gebouwd, die van de obelisk in Parijs én talloze vuurtorens. In de winplaats L’Hôpital-Camfrout, een slaperig rivierdorp vijfentwintig kilometer ten zuiden van Brest, wordt het gekoesterd als ‘la pierre du bout du monde’ – het gesteente van het einde van de wereld.
Uiteindelijk vergde deze vuurtoren op zee, die de naam kreeg van de rots waarop hij staat, 295 landingen, 1421 werkuren en 916 m2 metselwerk – en een totale investering van precies een miljoen frank. De bouw van Ar-Men wordt wel eens vergeleken met die van piramiden. Feit is dat hij een recordbouwtijd vergde, waarbij die van zijn beroemde voorgangers op Eddystone en Bell Rock verbleekt. Ar-Men deelt dat record alleen met de aartsvader van alle vuurtorens, de Pharos van Alexandrië. Ook die was pas gereed na veertien jaar.
Ascese in de hel [fragment]
____
