woensdag 5 november 2008

Mijn zeepzachte voortzetten

Het aanflitsen van de schijnwerpers was voor mijn vriendinnen het teken om er de brui aan te geven. Ik stond op, stopte de fles in de zak van mijn jasje en liep de honderd meter die me scheidde van het veld waar Nederland ooit van elf Australiërs won die na de afsluiting van een vermoeiende toer door Engeland half dronken op het veld stonden. 'Daar ben je toch maar mooi bij geweest jongen,' zei ik zacht, 'dat neemt niemand je meer af.' Ik zag de beslissende zes weer hoog over de screen verdwijnen en genoot. In de trein naar huis had ik me voorgenomen profcricketer te worden. Terwijl de Veluwe voorbijschoot kwam ik aansnellen voor een bal diep in de stokken waarop geen antwoord was om daarna de wedstrijd te beslissen met 'the ball from hell', die als een spitting cobra achter de benen van de batsman in het wicket sloeg. Het was er allemaal niet van gekomen. Mijn zeepzachte voortzetten werden door zelfs de grootste kneus met verachting weggemept, als batsman stierf ik zo van de zenuwen dat ik het nooit veel verder bracht dan een geslaagde 'haas in zoeklicht'-imitatie en als fielder beschikte ik over de beruchte botervingers. Het liefst had men mij nog als twaalfde man. Op dit fraaie veld net naast de tennisbaan, waarop de Grote Haagsche haar triomfen vierde, had ik nooit gespeeld.
In het laatste avondlicht liep ik langs de boundary. De groundsman reed de roller ijzig langzaam over de pitch om een oppervlak te creëren waarop de bowlers zich konden uitleven en in een verre hoek van het veld trok een eenzaam silhouet een sprint waarbij hij wild met zijn armen molenwiekte. Toen ik dichterbij kwam herkende ik Erik-Jan Parlevinker, een eeuwige belofte die door zijn vader naar het eerste was gepraat waar hij al jarenlang opviel door zijn razendsnelle maar uiterst voorspelle ballen die weinig wickets opleverden en veel irritatie. Hoewel ik meer voortsloop dan liep, een manier van voortbewegen die veel cricketliefhebbers eigen wordt als ze zich in de nabijheid van een veld bevinden, keek hij me bozig aan alsof ik hem stoorde in een uiterst belangrijke aangelegenheid. Ik bleef staan en keek terug met een naar ik hoopte ongeïnteresseerde uitdrukking op mijn gezicht. Aangezien hij geen heil zag in een machtsstrijd om niets groette ik hem na een tijdje keurig en liep door. Toen ik mijn ronde bijna had voltooid legde ik mijn armen op de stang van de afrastering en zag de sigaret van de groundsman traag het veld af schuiven. Een razende hartenklop joeg door mijn lichaam. Ik drukte mijn duim op mijn pols en wachtte tot de storm ging liggen.

Terug op mijn bankje maakte ik mijn plan de campagne. Dat was wel nodig ook, want ik was zonder een vastomlijnd doel naar Den Haag gekomen. Ik wilde de man zien die Ingrid over de kling had gejaagd, dat was eigenlijk alles.

uit: Wit licht - Harry Oltheten

____