In het laatste avondlicht liep ik langs de boundary. De groundsman reed de roller ijzig langzaam over de pitch om een oppervlak te creëren waarop de bowlers zich konden uitleven en in een verre hoek van het veld trok een eenzaam silhouet een sprint waarbij hij wild met zijn armen molenwiekte. Toen ik dichterbij kwam herkende ik Erik-Jan Parlevinker, een eeuwige belofte die door zijn vader naar het eerste was gepraat waar hij al jarenlang opviel door zijn razendsnelle maar uiterst voorspelle ballen die weinig wickets opleverden en veel irritatie. Hoewel ik meer voortsloop dan liep, een manier van voortbewegen die veel cricketliefhebbers eigen wordt als ze zich in de nabijheid van een veld bevinden, keek hij me bozig aan alsof ik hem stoorde in een uiterst belangrijke aangelegenheid. Ik bleef staan en keek terug met een naar ik hoopte ongeïnteresseerde uitdrukking op mijn gezicht. Aangezien hij geen heil zag in een machtsstrijd om niets groette ik hem na een tijdje keurig en liep door. Toen ik mijn ronde bijna had voltooid legde ik mijn armen op de stang van de afrastering en zag de sigaret van de groundsman traag het veld af schuiven. Een razende hartenklop joeg door mijn lichaam. Ik drukte mijn duim op mijn pols en wachtte tot de storm ging liggen.
Terug op mijn bankje maakte ik mijn plan de campagne. Dat was wel nodig ook, want ik was zonder een vastomlijnd doel naar Den Haag gekomen. Ik wilde de man zien die Ingrid over de kling had gejaagd, dat was eigenlijk alles.
____
