oudroze, steenrood; een zacht-
gloeiende stroom, onderbroken
door blinde vlekken, zwarte gaten.
Ik leerde het voorbijgaan op
het wiegen van een wagen,
in het piepen van de straten,
het kreunen van paden.
Het einde onderweg, getemperd
door een dunne huid,
maar onstuitbaar,
onstuitbaar.
Vroege leerling
____
