woensdag 31 december 2008

En als men zijn mond opent, is er geen weerklank.

De taal is verdwaald diep in het bos.
Zij is verdwaald. Niemand roept haar. En als men zijn mond
opent, is er geen weerklank.
De taal is verdwaald. Ik vind de stem van de kolenbrander
tussen de steeneiken niet.
Ook niet de stem van de voerman.
Ook niet die van de mannen die de bomen ontschorsen.
En de vogels vliegen zonder naam. De namen die zij kenden.
Alsof het de dood was die met hen sprak.
En de kruiden zijn vergeten hoe ze heetten,
want niemand noemt ze meer bij hun naam.
Niemand die de tijm, het rapunzelklokje of de zuring bij hun naam noemt.

En de weg is onderweg de weg kwijtgeraakt
Hij heeft zijn naam en zijn sandalen verloren.
Hij weet niet meer waarheen hij gaat of waar hij vandaan komt.
En hij slingert door het gras, zo maar wat.
Hij vindt de paden van het wild terug,
hij vindt zichzelf terug in de mooie jonge tijd, toen hij
nieuw was, en ongerept als een naakt meisje.
Hij zoekt zijn naam op iedere grenssteen
en hoort de echo ervan tegen de menhir.
Hij huilt in de sporen van de Romeinse wagens;
de Romeinen die door de velden trokken zijn dood.
En niemand geeft antwoord op zijn klacht.
En de oude weg verdwaalt onderweg.
En de kwartelkoning is ook vertrokken
voor altijd. Leeg is het pad
waarop hij wegtrippelde en verdween in de tijd.
Hij was het beu om geen stem te horen
die hem bij zijn naam noemde.
En de aarde heeft de lippen gesloten van
degenen die zo smeuïg hun taal spraken,
die praatten met hun ezelin
en de muilezel te drinken gaven.
En hun plaats is leeg in de lucht.
Beschaamd geraakt door hun spraak
zijn ze opgegaan in een of andere nevel
in een of ander dal dichtbij een beek.
En toen de nevel was opgetrokken
blonk het gras op de open plekken
met het duizendvoudig vuur van zijn tranen,
het gras dat zijn naam is vergeten.

En ik, ik blijf zwijgend en naakt op de weg.
Slechts de nacht voor mij en de wereld.
Slechts de nacht voor het koren en de mensen.
De nacht die in haar droomschort vangt
de duistere droom van de arme mensen die we allen zijn;
kruiden, wegen, vogels, stenen en bloemen,
armzalige wezens die wij zijn, wij kennen ze niet.

De nacht die in de grot van haar duisternis
in haar dode vingers haar diamanten telt.

De taal is verdwaald
uit: Occitaanse gedichten - Max Rouquette

____

zondag 28 december 2008

Soms lijkt het op denken

Er wordt altijd gezegd dat alleen-zijn gedurende lange periodes een variatie is op het thema van het immense en onvoorstelbare probleem om de confrontatie met jezelf te moeten aangaan, met een verborgen zelf dat zich onopgemerkt schuildhoudt onder de eisen van alledaags sociaal gedrag. Je komt oog in oog te staan met jezelf, zo omschrijven ze het. ‘Je ontdekt wie je werkelijk bent,’ zeggen ze met een blik vol wijsheid die onder kwellende omstandigheden is verworven, die zinspeelt op een onvermijdelijke duistere nacht van de ziel. Tijdens de periodes waarin ik zo lang mogelijk zo veel mogelijk alleen was, heb ik echter ontdekt dat ik er buitengewoon goed in ben om de tijd te doden en dat ik er genoegen in schep om de tijd te doden, om te lezen, te luieren en rond te scharrelen, zelden verveeld, vrijwel nooit rusteloos, soms ongelukkig, vaak ontevreden over mezelf en de wereld, zonder een jota meer dan dat te weten te komen over wie ik ben, omdat ik in gezelschap niet echt anders ben. De kwelling van de eenzaamheid ontgaat me totdat, aangezien sociale schuldgevoelens en zelfanalyse nooit ver te zoeken zijn, het gebrek aan kwelling om alleen met mezelf te zijn een kwelling van gebrek aan zelf wordt.
Waaróm is alleen-zijn niet martelend pijnlijk, geen gevreesde ontdekkingsreis naar mijn onvermoede innerlijke gebieden, pieker ik. Waar is dat deemoedigende inzicht in mijn diepste functioneren, in het innerlijke lijden, in de angsten van de eenzame ziel die geconfronteerd wordt met zijn eigen naakte, niet te verdragen beeld? Waar is de lijdende kunstenaar, verbeelding, creativiteit, wat dan ook? Waar is dat ‘door een spiegel, in raadselen, nu van aangezicht tot aangezicht?’ Ten slotte begint de waarheid me te dagen dat deze afwezigheid van een pijnlijke confrontatie met het duistere innerlijk in feite mijn moment van zelfontdekking is. Ik ontdek geen grotere monsters en hersenspinsels of interessante en complexere feiten dan solipsisme, beslist niet wezenlijks, alleen de weergalmende leegte van een oppervlakkig mens, een lege huls, waarin helemaal niets onmiskenbaar aanwezig is, en die perfecte holheid wordt slechts tijdelijk opgevuld door de inbreng van boeken, muziek of televisie. Toen ik thuis te maken had met storingen en de (niet buitensporig veeleisende) aanwezigheid van anderen, hunkerde ik naar lange periodes van eenzaamheid ‘om in te denken’, ononderbroken tijd waarin ik er eindelijk van op aan kon dat ik alleen was en ‘mezelf kon zijn’. Mijn kwelling bestaat er niet uit wat ik in de stilte van het alleen-zijn aantref, maar uit dat wat ik niet aantref.
Ik trek er telkens weer opnieuw alleen uit in de hoop dat ik déze keer op iets wezenlijkers, iets diepers zal stuiten. Maar het is altijd hetzelfde: niet bijster veel te vinden. Een soort tegenpool van het verhaal waarin broers eindeloos graven op zoek naar goud en ten slotte ontdekken dat ze het land hebben omgespit. In mijn versie zou er eindeloos worden gegraven en… niets, geen goud, geen gewas, geen resultaat. Maar bedoelen de mensen dat soms eigenlijk als ze vertellen hoe moeilijk het is om de confrontatie met jezelf aan te gaan: de schok om te ontdekken dat er niet veel is? Dat geloof ik niet. Hun toon getuigt van een ontdekking van iets wat zwaarder en ingewikkelder is dan louter leegte. Ze suggereren dat de drukte van hun bestaan en denken een diep en gecompliceerd innerlijk leven verhult, dat door stilte en roerloosheid bovenkomt. Bij mij schijnt de hele complexiteit van mijn uiterlijke bestaan daarentegen een aangeboren gebrek aan een innerlijk leven te verhullen.
In Stillcombe heb ik me zo diep laten meevoeren als maar ging. Wanneer ik mijn aandacht niet vulde met de muziek of woorden van andere mensen, staarde ik vanuit mijn leunstoel uit het raam zonder dat er in mijn hoofd iets gebeurde wat ik denken zou kunnen noemen. Ik lás gedachten, noteerde ze met verwijzingen naar de pagina’s en wachtte vervolgens tot die van mij zouden komen – door wat ik had gelezen, in weerwil van wat ik had gelezen, om het even wat. Maar eigenlijk was er alleen: wat voor dag is het? Regen? Zon? Wind? Hmm. De paarden zijn er, of niet. De schapen staan vlakbij in de bovenwei of zijn niet te zien. Mijn lichaam is warm of heeft warmte nodig. Thee? Honger? Mijn stemming – die toestand zonder woorden of gedachten die functioneert in volstrekte onafhankelijkheid van datgene wat ik ongeacht alle bewijzen mijn geest noem – is somber, ontspannen, geniet met volle teugen van de stilte, is bang, vrolijk, wanhopig of is dat allemaal in de loop van de dag (hoewel ze altijd afzakt naar vrees als de schemering aanbreekt en het licht in me met het licht in de wereld buiten me wegvloeit). Echt, niets wat me zou onderscheiden van de paarden of de schapen of de wind, behalve dat ik me bewust was van mijn bewustzijn, dat ik mijn vluchtige stemmingen kon noemen. Geen grote stap omhoog van de paarden, de schapen en de wind om me bewust te zijn van mijn oppervlakkigheid en mijn neurotische angst daarvoor. Die vrees is geen gedachte, maar louter een toevoeging aan het stemmingsrepertoire. Afgezien van het erkennen van de gevolgen die de stoffelijke wereld op me heeft en van mijn wisselende stemmingen, is mijn geest alleen in staat om te kwébbelen.
Herinneringen, recent of uit zo’n ver verleden dat ze van nature onbetrouwbaar zijn, opgedist als verhalen, verteld of van alle kanten bekeken, beelden en woorden, korte episodes die naar andere episodes leiden. Voeg daar heel wat onbenullig gedoe aan toe: in gedachten de meubels verplaatsen, plannen maken om kleren te gaan kopen, me afvragen hoelang de kat nog zal leven. Denken? Soms lijkt het op denken. Je herinnert je x, dan het gevoel dat erbij hoorde, of eigenlijk het gevoel dat je eraan hebt toegekend; je vangt de echo op van dat gevoel en gebruikt dat vervolgens als opstapje naar de volgende herinnering, of de volgende episode en zo mogelijk het bijhorende gevoel. Voeg er gesprekken, films, romans aan toe. Maar af en toe zou je, in de loop van een uur of zo, of van een hele middag, kunnen vermoeden dat je een samenhangend verhaal hebt ontdekt, een reeks gebeurtenissen en reacties die een bijdrage heeft geleverd aan wie je bent geworden. Een patroon, een herhaling, een proces, een verkláring. Maar net als de smaakexplosie van een enkel chocolaatje gaat het moment voorbij: wat je meende te zien, vervaagt en wordt vergeten, of is niet te vatten. En zelfs als het wel duidelijk blijft, wat vertelt het je dan echt, behalve dat een verhaal ons het gevoel geeft dat er enige zin is ontdekt in de uit losse periodes bestaande aard van tijd en ervaring? Dat het grillige toeval en het gevoel niemand te zijn dat je in de slapeloze uren van de nacht (en de dag) bekruipt, op veilige afstand is gehouden. Alles is beter dan die twee wellicht uiterst belangrijke inzichten. De resultaten van deze vorm van ‘denken’ kun je alleen maar gebruiken om er fictie van te maken en God te danken dat je een manier hebt ontdekt om niet elke dag op een kantoor te hoeven werken.

Over oppervlakkig zijn [fragment]
uit: Over reizen, rust en rendieren - Jenny Diski

____

zaterdag 27 december 2008

Maar de oude gaten bleven

Taittingers landgoed was niet makkelijk te bereiken. Het lag in het arrondissement Ceterymentar, ingesloten tussen de dikbesneeuwde Karpaten. Je moest twee keer overstappen. Vanaf het station van Ceterymentar moest je dan nog zes en een halve kilometer bergopwaarts rijden en daarna weer anderhalve kilometer omlaag. Het landgoed heette Zamky, maar Taittinger had het altijd de Muizenval genoemd, ook als jongen al, wanneer zijn oom hem uitnodigde voor de vakantie. Burgemeester Wenk was een Duitser, een van de weinige kolonisten uit Saksen die her en der in de omgeving woonden. De rentmeester kwam Moravië, de boeren waren Karpatenrussen en de al dove lakei een Hongaar, maar die wist helemaal niet meer uit welke contreien hij hiernaartoe was gekomen, wanneer en met welk doel. De oudste herinneringen die hij had, waren die aan de opstand van Boedapest en aan de dood van zijn heer, de oude baron. De houtvester was een Roetheen uit Galicië en de politieagent kwam uit Pressburg; hij was de enige mens in de verre omtrek met wie Taittinger in de herberg af en toe een paar woorden kon wisselen.
Het was begin december. Op de toppen rondom en ook beneden op het landgoed heerste de vorst. De raven zaten roerloos en zwart in de besneeuwde dennen. Als ze niet onverhoeds onder vreselijk gekras opfladderen, kon je nog denken dat het betoverde vruchten waren. Ze hadden het woonhuis alleen provisorisch kunnen repareren (zo snel was Taittinger gekomen en zo weinig geld was er bovendien). Daarbij betaalde de rentmeester de handwerkslieden maar de helft van wat ze hadden bedongen – en ze kenden hem goed genoeg om te weten dat ze de beloofde rest ‘na Kerstmis’ nooit te zien zouden krijgen. Overigens was het twee keer Kerstmis, voor de rooms-katholieken en voor de Russisch orthodoxen! Er kwamen hier en daar een paar nieuwe dakspanen op het dak, maar de oude gaten bleven. Toen ze na al die jaren weer begonnen te stoken, trokken de oude deurlijsten en de raamkozijnen krom, grendels en sloten gingen niet meer dicht en de grote zware kasten, waarvan de lijsten en de planken kromtrokken, zuchtten en kraakten. In de werkkamer hingen de oude, sombere portretten van de voorvaderen van de familie Zernutti schreef aan half loszittende haken. In de enorme eetkamer woekerde de hemel. De lege raamkozijnen van de veranda zaten vol grote bruine, blauwe en witte stukken karton. In de keuken hadden zich twee stokoude padden genesteld, die Joszi de lakei voerde met de schaarse wintervliegen die te voorschijn kropen als het fornuis werd opgestookt en die Joszi dan meteen in de gaten had.
De aankomst van de baron was een pijnlijke verrassing geweest. Maar ze hadden gedacht dat hij hooguit een week zou blijven, zijn buitenechtelijke zoon zou wegsturen, een beetje rondkijken en dan weer vertrekken. Toen ze echter van de politieagent hoorden dat Taittinger voornemens was te blijven en dat hij zelfs ontslag uit dienst had genomen, begonnen ze de baron te haten met die bijzondere haat die wordt ingegeven door angst. Ze kenden hem niet goed. Tot nu toe was hij lichtzinnig geweest, dat stond vast: hij had het koren en de tarwe, het kleine bos en het geld verkwanseld. Maar was hij, nu hij blijkbaar wist dat hij berooid was, niet voorzichtiger geworden? Was dat niet de reden waarom hij uit het leger was gestapt? Als hij wilde, kon hij over zoveel rekenschap vragen. Wat was er gebeurd met de wijnkelder? Wie had nu eens sprinkhanen verzonnen, en dan weer mislukte oogst en het faillissement van de houthandelaar?

uit: Het sprookje van de 1002e nacht - Joseph Roth

____

donderdag 25 december 2008

Dat u op een rechtvaardiger manier inzet in dit spel

‘Ik weet niet hoe hij heet. Alle gegevens op het inschrijfformulier van het hotel zijn vals. Hij heeft nog nooit iets met zijn creditcard betaald. We hebben geen idee waar hij vandaan komt of waarheen hij gaat. Zelfs zijn telefoontje naar het vliegveld kan bedrog zijn.’
Iedereen draaide zich om naar de vreemdeling, maar deze hield zijn blik strak op Chantal gericht.
‘Maar de keren dat hij de waarheid sprak, geloofden jullie hem niet. Hij heeft echt voor een wapenfabriek gewerkt en heeft veel avonturen beleefd, hij kent het leven in velerlei hoedanigheden van liefhebbende vader tot keiharde zakenman. Omdat jullie nooit ergens anders gewoond hebben dan hier, kunnen jullie je niet voorstellen dat het leven veel complexer en rijker is dan jullie denken.’
Ze moet nu wel gauw uitleggen waar dit allemaal op slaat, dacht de hotelhoudster bij zichzelf. En Chantal kwam met de uitleg: ‘Vier dagen geleden liet hij me tien heel grote staven goud zien. Voldoende kapitaal om alle inwoners van Viscos voor de komende dertig jaar een zorgeloos bestaan te bieden, om belangrijke verbeteringen in het dorp uit te voeren, om een speeltuin aan te leggen in de hoop dat we ooit weer kinderen in ons dorp hebben. Vervolgens heeft hij de staven ergens in het woud verborgen. Ik heb geen idee waar.’
Weer draaide iedereen zich om naar de vreemdeling. Nu keek hij wel naar ze, en hij knikte bevestigend.
‘Dat goud wordt van Viscos als hier in de komende drie dagen iemand vermoord wordt. Als dat niet gebeurt, dan vertrekt de vreemdeling en neemt zijn schat mee.
Dat was het. Ik heb alles gezegd wat ik moest zeggen, ik heb de galg al op het plein teruggezet. Alleen dit keer staat hij er niet om een misdaad te voorkomen, maar om er een onschuldige mee op te hangen, om door het offeren van die onschuldige het dorp welvaart te brengen.’
Voor de derde maal draaiden de mensen zich naar de vreemdeling, opnieuw knikte hij bevestigend.
‘Dat meisje kan goed vertellen,’ zei hij, deed de recorder uit en stak hem terug in zijn zak.

Chantal begon de glazen af te wassen. Het leek alsof de tijd was gestopt; niemand zei wat. Het enige geluid was dat van de lopende kraan, van het glas dat op het marmeren blad gezet werd, van de wind in de verte, die aan de bladerloze takken rukte.
De burgemeester verbrak de stilte: ‘Laten we de politie bellen.’
‘Doe dat,’ zei de vreemdeling. ‘Ik heb hier een opname op cassette. Het enige wat ik gezegd heb, is: “Dat meisje kan goed vertellen”.’
‘Meneer, wilt u alstublieft naar uw kamer gaan, uw spullen pakken en onmiddellijk ons dorp verlaten,’ smeekte de hotelhoudster.
‘Ik heb voor een week betaald, en ik blijf een week, al moet ik de politie erbij halen.’
‘Er al aan gedacht dat u weleens degene zou kunnen zijn die vermoord wordt?’
‘Natuurlijk, maar het kan me weinig schelen. Mochten jullie dat doen, dan plegen jullie weliswaar een moord, maar de beloofde beloning zullen jullie nooit krijgen.’

Een voor een verlieten de dorpelingen de bar, de jongsten het eerst, de oudsten het laatst. Ten slotte waren alleen Chantal en de vreemdeling over. Ze pakte haar tas, deed haar jas aan en liep naar de deur. Daar draaide ze zich om.
‘U bent een man die geleden heeft en wraakt zoekt,’ zei ze. ‘Uw hart is dood, het licht in uw ziel is gedoofd. De duivel aan uw zijde staat te grijnzen omdat u zijn spelletje speelt, het spelletje dat hij heeft bedacht.’
‘Bedankt dat u hebt gedaan wat ik u vroeg. En bedankt voor het interessante, waargebeurde verhaal over de galg.’
‘In het bos hebt u gezegd dat u het antwoord zocht op bepaalde vragen, maar binnen het plan, zoals u dat hebt opgesteld, loont alleen het kwaad; als er niemand vermoord wordt, levert dat niets op behalve een mooi praatje misschien, het goede loont niet. En zoals u weet, praatjes vullen geen gaatjes, je restaureert er geen bouwvallige dorpjes mee. U zoekt geen antwoord op vragen, u wilt maar één ding bevestigd zien, iets waar u wanhopig in wenst te geloven, namelijk dat iedereen slecht is.’
Er veranderde iets in de blik van de vreemdeling, zag Chantal.
‘Als iedereen slecht is, biedt dat een rechtvaardiging voor de tragedie die u hebt meegemaakt,’ ging ze verder. ‘Dan wordt het makkelijker voor u om het verlies van uw vrouw en kinderen te accepteren. Maar als er goede mensen bestaan, dan wordt het leven voor u ondraaglijk, ook al beweert u het tegenovergestelde. Want het lot heeft u een hak gezet, onterecht, en dat weet u. U wilt het licht niet terug, nee, u wilt alleen de zekerheid hebben dat er niets dan duisternis bestaat.’
‘Waar bent u op uit?’ klonk het zenuwachtig. Het kostte hem moeite zijn stem onder controle te houden.
‘Dat u op een rechtvaardiger manier inzet in dit spel; dat, ook als er binnen drie dagen niemand vermoord wordt, het dorp de tien staven goud krijgt. Als beloning voor de integriteit van zijn inwoners.’
De vreemdeling lachte.
‘En dat ik mijn staaf krijg, als loon voor mijn rol in dit smerige spelletje.’
‘Ik ben niet dom. Als ik daarop in zou gaan, is het eerste wat u doet naar buiten rennen en het aan iedereen vertellen.’
‘Dat is een risico. Maar dat doe ik niet, ik houd mijn belofte, ik zweer het u bij mijn grootmoeder zaliger en bij mijn eigen eeuwige zaligheid.’
‘Dat is niet voldoende. Wij, mensen, weten niet of God onze eden hoort, en ook niet of er een eeuwige zaligheid bestaat.’
‘U weet heel goed dat ik eerder ook mijn belofte heb gehouden, want ik heb een nieuwe galg op het plein gezet. Als ik vals speel, zal u dat zeker opvallen. Bovendien, zelfs al zou ik nu buiten gaan rondbazuinen wat we zojuist besproken hebben, geen hond zou me geloven. Op dezelfde manier hoef ik ook niet in het dorp aan te komen met de hele schat en te zeggen: “Kijk eens, dit is voor jullie, zie maar of je doet wat de vreemdeling wil.” De mannen en vrouwen van Viscos zijn gewend om hard te werken, om in het zweet huns aanschijns te zwoegen voor iedere cent; dat hun zomaar een schat in de schoot zou vallen, zullen ze absoluut niet geloven.’
De vreemdeling stak een sigaret op, dronk zijn glas leeg en stond van tafel op. De kou drong de bar binnen, bij de geopende deur wachtte Chantal op antwoord.
‘Als ik bedonderd word, merk ik dat,’ zei hij. ‘Ik beschik over een behoorlijke dosis mensenkennis, net als jullie Ahab.’
‘Daar twijfel ik niet aan. Dus het antwoord is “ja”.’
Voor de zoveelste keer die avond knikte hij alleen maar.
‘En dan nog iets: u gelooft nog steeds dat de mens in wezen misschien toch wel goed is. Anders had u nooit deze hele domme toestand opgezet.’
Chantal deed de deur dicht, liep door de – op dit uur volledig uitgestorven – straat en snikte onophoudelijk. Ongewild was ze uiteindelijk toch betrokken geraakt bij het spel. Een weddenschap was het, en zij wedde dat de mensen goed waren, ondanks alle kwaad in de wereld. Wat ze zojuist met de vreemdeling besproken had, zou ze nooit aan iemand vertellen; ook zij wilde nu weten wat de uitslag van het spel zou zijn.
Nergens brandde licht. Maar ze wist dat overal tussen de gordijnen ogen priemden die haar nakeken tot thuis. Het deed er niet toe, de duisternis verborg haar tranen.

uit: De duivel en het meisje - Paulo Coelho

____

woensdag 24 december 2008

Het woord is onbewoonbaar verklaard

De aangeblazen klinkers zijn in de storm
gevallen. Het dak is weg.
Het woord is onbewoonbaar verklaard.

Toch leeft het nog
in bosjes rond
om het huis.

Frans heeft een specht gehoord
in de keel
van een boomtak

en Edith zag een rups
op een blad
van het woord roos.

Wie zei dat het huis leeg is,
was een slak op een grasspriet
langzamer dan hij dichter is.

Het huis van het woord
uit: Iedereen afwezig : gedichten - Jos Daelman


____

dinsdag 23 december 2008

Zo heb ik mezelf in die vijfendertig jaar eigenhandig doorverbonden met de wereld om me heen

Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik aan de letteren mijn handen vuil, zodat ik op de encyclopedieën ben gaan lijken waarvan ik in die tijd zeker dertig kuub geplet heb, ik ben de sprookjeskan vol water dat leven schenkt en dood, je hoeft me maar een beetje scheef te houden of er stromen de mooiste gedachten uit, tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten mijn eigen zijn, van mij alleen, en welke ik me door lezen eigen heb gemaakt, en zo heb ik mezelf in die vijfendertig jaar eigenhandig doorverbonden met de wereld om me heen, want als ik lees, lees ik eigenlijk niet, ik neem zo’n mooie zin in mijn snaveltje en zuig daarop als op een zuurtje, ik nip ervan als van een likeurtje en wel net zolang totdat die gedachte als alcohol in mij vervliegt, zo lang trekt die door mij heen totdat ze niet alleen in mijn brein zit en in mijn hart, maar door al mijn aderen bonkt tot in het verste bloedvaatje. In één enkele maand plet ik zo gemiddeld twintig kuub boeken, maar om voor dit godgevallige grabbelwerk de nodige kracht te vinden, heb ik in die vijfendertig jaar zo veel pils gedronken dat je wel een vijftigmeterzwembad, een ruime kuip voor kerstkarpers, met dit lagerbier kunt vullen.

uit: Al te luide eenzaamheid - Bohumil Hrabal

____

maandag 22 december 2008

Een verre baan om iets wat aantrekt

Als Pluto
trekt ook mijn bestaan
een verre baan
om iets wat aantrekt,
afstoot, verre houdt
en dat in verste verte
zich niet kennen laat.

Misschien dat ooit
als ik al lang gestorven ben
aan randen van mijn doodzijn
licht opflitst
en dat alsnog
een kennen mij bezielt
als eerder nooit.

Misschien
uit: Grondstof : gedichten - Atze van Wieren

___

zondag 21 december 2008

Bescherming bij werkzaamheden die permanente gehoorbescherming vereisen

Ik koop oorpropjes. Om de geluiden buiten te houden. Het iets te vervangen door niets. Het niets in mijn hoofd dat alles kan zijn. Er zijn bolletjes, rolletjes en inbrenghulzen. Ik heb ze allemaal geprobeerd. Bilsom 303-oorpropjes vind ik de beste. Ik koop ze in een wapenwinkel. Jagers gebruiken ze. Criminelen ook. Ik koop er honderd tegelijk. Kneedbare oorpropjes op basis van zacht polyurethaan schuimstof. Huidvriendelijk en vuilafstotend. Ideale bescherming bij werkzaamheden die permanente gehoorbescherming vereisen. Leven in deze wereld. Ze verlagen het geluid met 33 decibel. Ik heb ontdekt dat het fijn is om niets te horen. Je van de buitenwereld afsluiten. Andere zintuigen ontwikkelen zich. Je voelt het bloed in je hoofd ruisen. Ik wil eindelijk thuiskomen. Een lege ruimte van zwart fluweel. Het is heel bijzonder tegen iemand aan te liggen die ook oorpropjes draagt. Het is alsof je dan nog dichter bij elkaar bent. Het meest multimediaal is nog altijd de mens die het vermogen heeft zich te herinneren, te fantaseren, combineren, zich dingen voor de geest te halen. Als ik de oorpropjes uitdoe kom ik terug in de wereld. Ik kan haar nog scherper waarnemen. De wereld waarin ik een mens ben tussen de mensen. Waar ik kan voelen hoe een ander zich voelt en daar verantwoordelijkheid voor draag. Ik heb het denk ik over liefde.

Oorpropjes
uit: Snobisme voor beginners - Oscar van den Boogaard

____

zaterdag 20 december 2008

Ik leerde dat de taal verdiepingen bezat

Ik weet precies wanneer de taal in mijn leven kwam: op 6 december 1962. Het was een openbaring gelijk aan die van Philip Larkin een jaar later, zijn annus mirabilis 1963, toen ‘sexual intercourse began’, het verbod op Lady Chatterley’s Lover van D.H. Lawrence werd opgeheven en The Beatles hun eerste lp uitbrachten. Larkin werd toen eenenveertig, ik was zes. De goede Sint had de tafel in de woonkamer volgestouwd met lekkers. Op mij lag daar een boek te wachten. Dat was een beetje vreemd aangezien mijn grootouders, bij wie ik toen inwoonde, allerminst boekenmensen waren. Maar misschien vonden ze me toen al een raar jongetje dat wel raad zou weten met een buitenissig cadeau. En het was toch niet mijn gewoonte om de keuzen van de goedheilig man ter discussie te stellen.
Boeken waren vreemde lichamen, kamers vol letterlijk ontoegankelijke geheimen, omdat die aardige juffrouw De Backer van het eerste leerjaar nog maar pas was begonnen met mij te leren lezen. En daar lag dan, die ochtend in december: Leer lezen in een wip, een boekje met een gekartonneerd omslag en een rood linnen rugje. (Ik bewaar het nog altijd.)
Voorop stond een tekening met twee kinderen die op een wip zaten te lezen, wat niet erg comfortabel kan zijn geweest. Leer lezen in een wip, mijn eerste woordspeling. Maar ze ontging mij, omdat ik dat speeltuig in mijn dialect anders noemde, en van de echt verboden wip had ik natuurlijk nog lang geen weet – en Larkin op dat moment kennelijk al evenmin overigens. Het boekje kwam uit Nederland, van uitgeverij Zwijsen in Tilburg, achterhaalde ik later. Door zijn Noord-Nederlandsheid stond het vol woorden die ik niet kende maar toch kon begrijpen. Maar toen ik ze kende, kon ik ze niet gebruiken omdat niemand anders in mijn omgeving ze begreep. Ze werden mijn geheim. ‘Het weer is guur’ (oefening in de lange u). ‘Slecht’ weer kende ik, maar ‘guur’? Zo spraken wij niet. En toen wist ik nog niet dat ‘guur’ en ‘onguur’, als ze tenminste het weer betreffen, precies hetzelfde betekenen.
Ik hield er een hoofd vol lettersoep aan over. De woorden bleken oppermachtig omdat ze van mij iemand anders konden maken. Later gingen ze daarmee door en vervreemdden ze me van mijn familie, omdat ik het verleerde hoe met hen te spreken, omdat ik een andere taal tot de mijne had gemaakt.
Ik verzamelde woorden als speelgoed, die konden klinken en blinken en botsen dat het een aard had. Ik leerde dat de taal verdiepingen bezat, met lagen waartussen onbekende, nieuwe betekenissen en modulaties konden ontstaan en waartussen ik ook weleens van de trap donderde. Ik leerde dat er muziek uit opklonk, dat er geheime woorden bestonden waarmee ik gedachten kon maken en zinnen schrijven, dat woorden niet alleen wat zeggen, maar ook mooi of lelijk kunnen zijn, dat eenzelfde woord wel twee of soms nog meer dingen tegelijk kon betekenen, dat het alleen afhing van de andere woorden die eromheen hingen. Ik leerde dat iets op meer dan één manier kon worden gedacht en gezegd, dat ik met woorden als op een wild paardje kon uitrijden naar nieuwe, geheel verzonnen werelden. Mijn verbeelding voer er wel bij, want hoe meer woorden ik kende, hoe nauwgezetter ik haar kon stofferen. Daarin kon ik met woorden mijn angsten bezweren en mijn verlangens articuleren, die anders niet verder raakten dan onbenoemde gevoelens van onbehagen, die alleen bleven knagen met een zeurende pijn als die van een zwerende vinger.
Woorden waren de magneet waarmee ik een orde en een structuur kon geven aan die vormeloze hoop ijzervijlsel, die chaos waarin de onbekende wereld zich aan mij presenteerde. Dat was natuurlijk een orde die in mijn magneet zat, niet in die chaos. De taal leverde de woorden en met de woorden maakte ik het verhaal waarin ik orde bracht in de wereld. Hoe meer woorden ik kende, hoe talrijker de details, maar hoe meer ook mijn talige universum en privé werd.
Ik leerde zoveel. Vooral dat de taal een rijkelijk met woorden bemeubeld huis kon zijn, een oord dat ik naar eigen inzicht en verbeelding inrichtte en waarin ik kon schuilen. Het heeft mij een papieren leven opgeleverd, een gesublimeerd bestaan, per definitie enigszins bezijden de werkelijkheid, altijd met de taal als filter tussen mij en de wereld. Sindsdien houd ik altijd een slag om de arm, geplaagd door bijgedachten die me beletten om me voluit te engageren. Door de schuld van de woorden kon ik er altijd het mijne van denken, maar bleef ik ook verlamd achter telkens als ik niet de juiste woorden vond.
Het is niet iets wat je mensen moet aanraden om een gelukkig en evenwichtig leven te leiden. Het leven begon voor Philip Larkin tenslotte ook maar door wat hij in 1963 naast zijn schrijftafel had geleerd.

Zoviën [fragment]
uit: Struikelend door het leven : verbeelde herinneringen - Marc Reynebeau

____

vrijdag 19 december 2008

Wat een toevallig en tijdelijk lot hen schijnt te hebben beloofd

Want aan niets wennen de mensen zo gemakkelijk als aan wonderen, wanneer die hem één keer, twee-drie keer overkomen zijn. Ja! De aard van de mensen is zò, dat ze zelfs boos worden wanneer hen niet onophoudelijk alles ten deel valt wat een toevallig en tijdelijk lot hen schijnt te hebben beloofd. Zo zijn de mensen – en wat wilden wij anders van Andreas verwachten? De rest van de dag bracht hij dus in verscheidene andere kroegen door en hij was begonnen. En besloten tot de langzame ondergang, waartoe drinkers altijd bereid zijn – nuchtere mensen zullen dat nooit ervaren! – ging Andreas weer naar de oevers van de Seine, onder de bruggen.

uit: De legende van de Heilige Drinker - Joseph Roth

____

donderdag 18 december 2008

Ik sta meestal rechtop en oefen me, op een been te staan

Van drie uur ’s middags af zijn wij élèves bijna helemaal aan onszelf overgelaten. Niemand bekommert zich meer om ons. Directeuren zijn in de interne vertrekken verborgen, en in het klaslokaal heerst verveling, een verveling, die iemand bijna ziek maakt. Lawaai mag niet voorkomen. Er mag slechts op de tenen gelopen en geslopen en slechts op fluistertoon gesproken worden. Schilinski bekijkt zichzelf in de spiegel, Schacht kijkt uit het raam, of hij gesticuleert met het keukenmeisje van tegenover, en Kraus leert van buiten, door lessen voor zich uit te murmelen. Een grafstilte heerst overal. De tuin ligt er verlaten bij als een vierkante eeuwigheid, en ik sta meestal rechtop en oefen me, op een been te staan. Soms houd ik voor de afwisseling mijn adem lang in. Ook een oefening, en het moet zelfs, zoals ooit een arts tegen me zei, er een zijn die goed is voor de gezondheid. Of ik schrijf. Of ik sluit de niet vermoeide ogen, om niets meer te zien. De ogen brengen gedachten tot stand, en daarom sluit ik ze van tijd tot tijd, om niets te moeten denken. Als je zo maar zit te zitten en niets doet, voel je opeens, hoe penibel het bestaan kan zijn. Nietsdoen en toch een houding in acht nemen, dat vergt energie, iemand die bezig is heeft het daarmee vergeleken makkelijk. Wij leerlingen zijn meester in deze soort braafheid. Anders beginnen nietsdoeners uit verveling bij voorbeeld een beetje rond te hangen, te stommelen, hardop te gapen of te zuchten. Dat doen wij élèves niet. Wij persen de lippen stevig op elkaar en zijn onbeweeglijk. Boven onze hoofden zweven altijd de grimmige voorschriften. Soms, als wij zo zitten te zitten of staan te staan, gaat de deur open, en de juffrouw loopt langzaam, ons vreemd aankijkend, door het klaslokaal. Aan een geest doet ze me dan denken. Het is, alsof er iemand van ver, ver weg kwam. ‘Wat doen jullie, jongens?’ vraagt ze dan soms, wacht echter in het geheel geen antwoord af, maar loopt door. Wat is ze mooi. Wat een weelderige volheid van diepzwarte haren. Meestal ziet men haar met neergeslagen ogen. Ze heeft ogen, die heerlijk geschikt zijn om neer te slaan. Haar oogleden (o, ik observeer het allemaal scherp) zijn zinnelijk gewelfd en wonderbaarlijk tot deze snelle beweging in staat. Die ogen! Zie je ze één keer, dan kijk je in iets afgrondelijk bangs en dieps. Die ogen schijn in haar glanzende zwartheid en niets en tegelijk al het onzegbare te zeggen, zo bekend en zo onbekend tegelijk is de indruk die ze maken. De wenkbrauwen zijn bijna breekbaar zo dun en rond daarboven getekend en getrokken. Wie ze bekijkt, voelt steken. Ze zijn als maansikkels aan een ziekelijk bleke avondhemel, als fijne, maar des te stekender wonden, inwendig snijdende. En haar wangen! Het stille verlangen en de schroom lijken er feesten op te vieren. Onbegrepen kiesheid en teergevoeligheid plengt er zijn tranen op neer. Somtijds verschijnt op de zacht glanzende sneeuw van deze wangen een licht smekend rood, een roodachtig, verlegen leven, een zon, of nee, slechts een zwakke afglans ervan. Dan is het, alsof die wangen plotseling glimlachten, of alsof ze een beetje koorts hadden. Als je naar juffrouw Benjamenta’s wangen kijkt, vergaat je de lust om verder te leven, want dan heb je het gevoel, dat het leven een hels gekrioel vol gemene wreedheden moet zijn. Iets zo zachtaardigs doet in iets zo neerdrukkends en bedreigends welhaast gebiedend een blik werpen. En haar tanden, die men ziet opflikkeren, als de sensueel-vriendelijke mond glimlacht. En als ze huilt. De aarde, denkt men, moet uit zijn steunpilaren neerstorten, uit schaamte en uit ellende, haar te zien huilen. En als men haar eerst – hoort huilen? O, dan verga je. Pas geleden hoorden we het, midden in de schooltijd. Wij allen zaten te beven als espenloof. Ja, wij allemaal, wij houden van haar. Zij is onze lerares, ons hoogste wezen. En ze lijdt aan iets, dat is duidelijk. Is ze ziek?

uit: Jakob von Gunten : een dagboek - Robert Walser

____

woensdag 17 december 2008

Dat zogenaamd loze gedoe poëzie

’s Nachts, op het wijndoorbloede, gepekelde tafeldamast
Een ontoegankelijk bos gekraakte flessen, karaffen en glazen
Vol droge dronkemanstranen van malversaties en liefdesbedrog.

Zie hem daar zitten. Maar pak hem dan toch op je rug,
Je vader, en draag hem de trap op en stop hem goed onder,
Daar, in dat malse graf van zijn grootoudersbed.

Als de vijfde, de laatste, de kleinste
Van dat dodenhuis moet ik mij nu ontfermen
Over zijn katten en klanten, zijn Volvo’s en piano’s, zijn zaak.

Ik inventariseer zijn makelaarsbrieven en bossen,
Ik ledig zijn bankkluis en reisgidsen, lap ons huis op,
Kortom, ik bewaar al wat niet meer bestaat.

Ook dat is het nut van dat zogenaamd loze gedoe poëzie.
(En ik die zo lang al die krachtterm verfoei.)
Zijn grafsteen bloeit open als ik hem hier zorgzaam beheer.

Het laatste feest
uit: Woestijnkunde : gedichten - Leonard Nolens

____

dinsdag 16 december 2008

Alles is uit, af, op.

Het bordje wijst naar links: Ofrýnio, drie kilometer.
Er komt geen eind aan de bocht. De weg loopt naar de andere kant af.
Ilias wil zijn sigaret aansteken. ‘Wel verdomme,’ mompelt hij. Met zijn voet op de rem gaat hij de bocht in, hij gooit hem in zijn vijf, in zijn vier, remt af, de voet op het rempedaal, gooit hem in zijn drie, ‘waar wil je heen verdomme!’
Fifi stuurt naar rechts, ze ziet de vrachtwagen aankomen.
‘Rustig aan,’ zegt mevrouw Pavlína.
‘Opgepast,’ zegt Ourania, het hoofd koel.
Fifi heeft de voet op de rem, de banden gieren, ze trapt het pedaal in, trapt het nog verder in, de pakjes met eetwaren van mevrouw Pavlína rollen over de grond, raken los, ruiken, restjes, brokstukken, Fifi’s oksels zweten.
‘Maria sta me bij,’ zegt ze.
Ze klemt haar handen om het stuur.
‘Waar wil je heen, ouwe teef,’ zegt Ilias. Hij ziet een vrouw in dat autootje daar. En naast haar nog een. Hij bukt zich naar voren om beter te zien.
Hij stuurt naar rechts, van de weg af, hobbelt over de berm.
Fifi remt, ze beeft, Ze gaat naar links, verder naar links, verder naar links, verder naar links. Ze claxonneert. Als door een magneet wordt ze aangetrokken door het monster tegenover haar. Mevrouw Pavlína buigt naar voren. Ourania het hoofd koel.
‘Opgepast, Fifi,’ zegt ze.
Het lijkt haar onvoorstelbaar: pech: iets dat wel bijtrekt: een schrik die overgaat. Tussen hun auto en de vrachtwagen ligt het leven. Ze spert haar ogen open. Haar ogen kunnen dat monster tegenover haar niet bevatten. En ertussen ligt het leven.
De sigaret is Ilias uit de mond gevallen, dat gaat mij in elk geval tijd kosten, van Sofia opbellen komt niets terecht en we gaan niet naar Aretsoú, ik zie het al. Dat wordt geen vastenmaandag. De vlieger valt. Ik had trouwens toch geen plannen voor die dag, het was niet tot me doorgedrongen dat het vastenmaandag was, ik was met Sofia in bed blijven liggen. Hij ziet die rode auto, dat keffertje op zich afkomen. Eigengereid, koppig. Recht op de vlieger af die in zijn baan komt. Hij ziet het.
Fifi ziet het.
Mevrouw Pavlína ziet het. Ze wil roepen, haar haar raakt los, de lucht van de eetwaren.
Fifi klemt haar handen om het stuur.
‘Waar wil je heen?’ schreeuwt Ilias. ‘Waar wil je heen?’ vraagt hij nog eens. In zijn eentje zegt hij het, hoort hij het, terwijl hij stilstaat in de berm, over zijn stuur gebogen.
Ourania begrijpt dat Ilias iets tegen haar zegt, ze sluit haar ogen. Alles is uit, af, op.
Ten slotte gilt mevrouw Pavlína.
Fifi geen woord, ze was te laat.
‘Wel verdomme,’ schreeuwt Ilias, doet het portier open en springt op straat. En de regen begint te plenzen en slaat op hem neer. Striemt hem. Zoveel leven, voor dit ene ogenblik. Zoveel drukte om niets. Zo ver van wat een mens zich voorstelt. En de mist die wegtrekt, oplost, weg carnaval, weg vastenmaandag, Aretsoú, Xanthi, de regen die het metaal schoonspoelt, het bloed dat stolt, de hersens die beginnen te malen en mensen die naderbij komen, naderbij komen en vragen, vragen, vragen.

uit: Op weg naar Ofrýnio : tafereel - Fílippos Drakondaïdís

____

maandag 15 december 2008

Behoefte aan traditie

Zijn er meningen in het geding, dan kan het de getekende niet ontgaan dat hij steeds minder vaak wordt tegengesproken. Dat geeft hem het gevoel een autoriteit te zijn – terwijl de anderen, de jongeren, op de asbak staren of onder de tafel een hond aaien zolang hij aan het woord is. Meningen wekken interesse in de mate dat de persoon die ze voorstaat een toekomst heeft. Na een beleefde stilte, die hem eert door de haast gewijde sfeer, vertelt iemand een grap om op een ander onderwerp over te stappen. Aangezien hij merkt dat hij geen nieuwe vrienden meer zal maken, en aangezien hij in geen geval medelijden wil wekken, vertelt de getekende graag over zijn vriendschap met een overledene, die hij in het legendarische trekt; de overledene spreekt niet tegen (behalve als hun briefwisseling wordt gepubliceerd) en de jongeren kunnen zich er slechts over verbazen dat zulke echte en indrukwekkende vriendschappen zoals die vroeger bestonden (‘Bauhaus’ enz.), tegenwoordig nauwelijks nog voorkomen.

Heeft hij aanleiding tot vreugde, dan weet de getekende hoe hij zich vroeger bij een dergelijke aanleiding verheugd zou hebben –

Ook als hij tegen de verwachting in iets nieuws heeft beleefd, vertelt hij minder dan vroeger. Lang voordat hij denk-moe wordt, ontwikkelt de getekende een stof-onlust; hij wil alleen nog maar de essentie. (Het aforisme als ouderdomsvorm.) Pas later, wanneer hij ook denk-moe is, wordt hij praatlustig.

Familiezin en seniliteit. Op zijn minst is het nauwelijks aanvechtbaar dat de familiezin toeneemt bij seniliteit. Evenals vaderlandszin. (Terugkeer uit het buitenland op latere leeftijd.) In zijn angst voor vereenzaming hecht de getekende sterk aan iedere vorm van verbondenheid die hij niet zelf tot stand hoeft te brengen, maar die al aanwezig is.

Behoefte aan traditie.

De angst dat men eens op hulp aangewezen zal zijn, dient zich in een tegenstrijdige vorm aan: de drang van de getekende om zijn naasten reeds nu door goedheid aan zich te verplichten – anderzijds heeft de getekende de neiging over alles zelf te beschikken en de mensen wier hulp hij binnen niet al te lange tijd nodig heeft, zo lang mogelijk onmondig te houden.

De getekende heeft minder voedsel nodig dan hij op zou kunnen, en heeft daarbij aanleg tot corpulentie, die hij vreest omdat die hem bij de eerste oogopslag verraadt – terwijl er toch ook magere getekenden zijn en er omgekeerd corpulentie voorkomt onder jonge mensen… In feite verraadt de getekende zich doordat hij nu alles wat hem aan zichzelf opvalt meteen op de leeftijdskwestie betrekt.

De getekende mag graag klagen over zijn slechte geheugen – in die gevallen dat het verbazingwekkend zou zijn als een menselijk brein, ook van een zeventienjarige, niet verstek zou laten gaan. (In het algemeen koketterie in de vroege stadia van de seniliteit.) Het geheugen wordt niet minder; het is alleen bezet. De getekende herinnert zich woord voor wood een gesprek in de Tweede Wereldoorlog, daarentegen al niet zo goed meer een gesprek van de vorige avond.

Handboek voor leden [fragment]
uit: Vereniging Vrijwillige Dood - Max Frisch

____

zondag 14 december 2008

Het paarse uur, het uur van de weemoed tussen die twee zeeën

Een scherend licht walste over de zee en stuwde hem in de baaien omhoog: ook buitengaats zwiepte het water tot aan de hemel. Een andere zee, van schaduw, kwam van de rotsketens aangerold.
Martine leunde tegen een rotsblok op de rand van haar terrassen. Het paarse uur, het uur van de weemoed tussen die twee zeeën, omhulde haar.
De geest is onvoorspelbaar en vanavond verwijlde hij bij de aarde die zich hechtte aan haar droom, bij de schrale kluiten waar Jean-Pierre – nu zijn reis volbracht was – rustte, en die leken op de glimmende kluiten onder haar voeten.
De koude avond vleide zich over de aarde die schoot was.
Ze hoorde voetstappen op het toepad maar ze probeerde niet ongezien naar huis terug te lopen; ze bleef staan en liet zich verrassen.
Laurence legde een hand op haar schouder en sloeg toen haar armen om Martine heen. Ze liefkoosde haar en knoopte haar jurk los om haar hart te voelen. Het sloeg goed, het sloeg regelmatig, zei ze, en ze prees haar om haar kalmte.
Toen vroeg ze wat ze daar in de kou deed.
‘Ik keek naar de zee,’ zei Martine. Ze vermeed het zorgvuldig om iets te zeggen over de zacht uitziende kluiten, het zachte kussen.
Laurence liep met haar naar de bungalow, deed de oude straalkachel aan en zette hem bij Martine’s benen.
‘Je zorgt voor me als een verpleegster.’
‘En als je beschermengel.’
‘Zijn er nog mensen geweest?’
‘Nee, niemand vandaag, zelfs de zeeman niet. Ik ben vroeger dichtgegaan, ik wil een gokje wagen.’
Aan de andere kant van het venster duurde het paarse uur, terwijl Laurence zich gereed maakte voor vertrek. Wat een lichaam had ze! Glad en vrij van angsten. Voor haar ogen klonterden geen kluiten aarde samen, zachte schoot, pijnloze legerstede.
‘Ik ben echt in de stemming,’ zei ze uitgelaten, ‘en als ik je er niet mee zou kwetsen, zou ik je vragen om mee te gaan.’
‘Nee, ik heb geen zin. Maar jij hebt vast geluk. Succes!’
Wat leek alles eenvoudig op dat uur!

uit: De engel van Avrigue - Francesco Biamonti

____

zaterdag 13 december 2008

Is het ernstig, te verschillen van anderen?

‘Er zijn dingen die door het gewone gezonde verstand geregeerd worden: dat de knopen aan de voorkant van een overhemd gezet worden, is logisch; als ze opzij zitten, zijn ze nogal moeilijk los te maken, en zouden ze op de rug zitten, dan is dat een onmogelijkheid.
Maar andere dingen worden ons opgedrongen, omdat telkens meer mensen geloven dat ze zo moeten zijn. Ik zal je twee voorbeelden geven: heb je je al eens afgevraagd waarom de letters van een toetsenbord van een schrijfmachine in die volgorde staan?’
‘Nee, nooit.’
‘We noemen dat het QWERTY-toetsenbord, naar de eerste vijf letters van de bovenste rij. Ik heb me afgevraagd waarom de letters nu juist zo gegroepeerd staan, en ik heb de reden gevonden. De eerste typemachine werd uitgevonden door Christopher Scholes in 1873. Zijn doel was de kalligrafie te verbeteren. Maar er deed zich een probleem voor: als iemand heel snel typte, botsten de hamertjes op elkaar en liep de machine vast. Vervolgens ontwierp Scholes het QWERTY-klavier, een toetsenbord dat de typisten dwong om langzamer te typen.’
‘Dat geloof ik niet.’
‘Maar het is echt zo. Remington, in die tijd fabrikant van naaimachines, gebruikte ook het QWERTY-klavier voor zijn eerste schrijfmachines. Dat betekende dat steeds meer mensen gedwongen waren dat systeem te leren. Meer maatschappijen gingen over op de productie van machines met dit toetsenbord, totdat het uiteindelijk als enige over was. Ik herhaal: het toetsenbord van schrijfmachines, van computers, is ontworpen om langzamer, en niet om sneller te typen, begrijp je? Zet de letters op een andere plek, en je vindt geen afzet voor je product.’
Toen ze voor het eerst een toetsenbord had gezien, had Mari zich afgevraagd waarom de letters niet in alfabetische volgorde stonden. Maar die vraag had ze zich verder nooit meer gesteld, ze meende dat de mensen zo het snelst konden typen.
‘Ben je ooit in Florence geweest?’ vroeg dr. Igor.
‘Nee.’
‘Je moet er beslist eens heen, het is niet ver. En daar vind je mijn tweede voorbeeld. De kathedraal van Florence bezit een schitterend uurwerk dat ontworpen is door Paolo Uccello in 1443. Het is heel vreemd. Het geeft weliswaar de tijd aan, zoals alle andere uurwerken, maar de wijzers gaan in tegenovergestelde richting, dus tegengesteld aan de richting die wij gewend zijn.’
‘Wat heeft dit nu met mijn ziekte te maken?’
‘Daar kom ik zo. Toen Paolo Uccello dit uurwerk schiep, lag het niet in zijn bedoeling om origineel te zijn: er bestonden toentertijd zulke uurwerken, maar ook andere, waarvan de wijzers de andere kant op draaiden en die nu de standaard zijn. Om de een of andere reden, misschien omdat de hertog er een had met wijzers die ronddraaiden in de richting die we tegenwoordig als de “juiste” kennen, drong dit klokje zich naar voren – en wordt het uurwerk van Uccello als een abnormaliteit ervaren, als waanzin.’
Dr. Igor pauzeerde, maar hij wist dat Mari zijn redenering volgde.
‘Nu, wat jouw ziekte betreft: ieder menselijk wezen is uniek, hij heeft zijn eigen kwaliteiten, drijfveren, zijn eigen vormen van plezier, zijn eigen zucht naar avontuur. Maar de maatschappij dringt hem een gemeenschappelijke manier van handelen op, en de mensen blijven zich onophoudelijk afvragen waarom ze zich zo moeten gedragen. Sommigen accepteren het gewoon, zoals typisten het als een feit accepteerden dat het QWERTY-klavier het best mogelijke toetsenbord was. Ben jij ooit iemand tegengekomen die zich afvroeg waarom de wijzers van de klok nou in die richting draaien en niet in tegenovergestelde?’
‘Nee.’
‘Als iemand dat zou vragen, zou hij waarschijnlijk te horen krijgen: je bent gek! Als hij de vraag nog eens zou stellen, zou zijn gesprekspartner een reden proberen te vinden, maar al snel op een ander onderwerp overgaan. Immers, een andere verklaring dan ik gaf bestaat er niet.
Om op je vraag terug te komen, wat vroeg je ook al weer?’
‘Of ik genezen ben.’
‘Nee, je bent een persoon die verschilt van alle anderen, maar die toch hetzelfde wil zijn. En dat is volgens mij te beschouwen als een ernstige ziekte.’
‘Is het ernstig, te verschillen van anderen?’
‘Het is ernstig als je jezelf dwingt hetzelfde te zijn als zij: dat veroorzaakt neurose, psychose, paranoia. Het is ernstig als je hetzelfde wilt zijn, want dat is de natuur dwingen, het is tegen Gods wet ingaan; God, die in alle bossen en wouden van de wereld geen enkel blaadje geschapen heeft dat gelijk is aan een ander. Jij denkt dat gek zijn anders zijn is, en daarom heb je Villette als plaats uitgekozen om te leven. Omdat je op een plek waar iedereen anders is, je hetzelfde als iedereen kunt zijn. Begrijp je?’

uit: Veronika besluit te sterven - Paulo Coelho

____

vrijdag 12 december 2008

Gedecreteerd tegen badpakken in twee delen

Wat zijn taak betrof, die vervulde hij op eigenaardige wijze. Elk dossier dat hem werd onderworpen, versierde hij, onvermijdelijk, met één van twee instructies ‘Wachten’ of ‘Mij over spreken’. Wanneer zijn dienstoversten deze laatste aanduiding volgden, kwam de beslissing meestal terecht op de eerste formule. Toen zijn secretaris hem voorstelde twee rubber stempels te laten maken met de geijkte formules, overwoog hij de zaak ernstig, nam het voorstel in het geheel niet kwalijk en verwierp het ten slotte, gezien de onkosten aan de uitvoering verbonden, want het was zijn principe dat in 99 gevallen op de honderd een uitgave overbodig was. Deze zorg om de gemeentefondsen had hem in zijn milieu een grote populariteit bezorgd. Het verhaal dat hij zou voorgesteld hebben de orkestleden van de stedelijke opera niet per uur maar per gespeelde noten te betalen, was onbetwistbaar authentiek. Hij had dit voorstel gedaan nadat hij een opera had bijgewoond waarin de cymbalist op een hele avond slechts vijf malen zijn koperen schalen had doen klinken. Indien er in zijn dienst iets werd verwezenlijkt dan was het te danken aan zijn ambtenaren die met het wel en wee van de stad begaan waren en die een strategie hadden uitgewerkt die hem de illusie gaf dat hij besluiten had genomen, die hem behendig werden voorgeschoteld. Zijn volle aandacht besteedde hij aan het bewaken der goede zeden van onze stad. Op dat gebied ontging hem niets. Hij waakte op de lengte der badpakken in het stedelijk zwembad. ‘Geen blote buiken,’ had hij gedecreteerd tegen badpakken in twee delen. Hij inspecteerde elk jaar de barakken op de lentefoor waar men de kindermeiden schrik aanjoeg tegen de gevaren der syfilis, door het vertonen van een aantal bokalen met foetussen en van een aantal gruwelijk gekleurde platen die de dramatische gevolgen van het buitenechtelijk verkeer moesten illustreren. Dat liep onvermijdelijk uit op gonorroea.

uit: Jacqueline en ik - Marnix Gijsen


____

donderdag 11 december 2008

Wat zoek ik hier en in ontelbare nachten

Nacht. Ik nader het grote gebouw met naakte gebeeldhouwde jongetjes en een spuitende fontein ervoor, de bosjes.
Nooit durf ik door te lopen in het duister, bang voor geweld, ook al windt het mij op en wil ik op een keer worden vastgebonden. Niemand kom ik tegen. Thuis wacht de vriend. Wat zoek ik hier en in ontelbare nachten, ook in bars, dreunende muziek, gekrijs en gegil van de anderen, zelf alleen, daar in het gedrang zo dicht bij ze, zo ver van iedereen af, zo ver van mezelf af, een ding waar alles op in beukt, wel vantevoren verdoofd, half bij bewustzijn, soms even helemaal bij bewustzijn, zelden iemand die ik ken, wanhopig wachtend en achteraf thuis klaarkomen, alleen, met de vriend of de opgeroepen anderen, in gedachten vastgebonden worden, openbaar, pak-hem-beet-geschreeuw, sla-hem-dood-geroep, de stilte na het klaarkomen: het plein is leeg, er is niks gebeurd, er is veel gebeurd. Het herhaalt zich telloze malen.

uit: Zalf voor de dood - A. Moonen

____

woensdag 10 december 2008

‘The truth, as always, is somewhere in the middle’

In a democratic society, where compromise can be seen as tantamount to a civic duty, it is easy to assume that there are ‘two sides to every story’ – that, given any pair of opposing views, the truth will always be somewhere between them. The format of many TV, radio and newspaper reports tends to reinforce this mindset. A representative of one side will be invited to make a comment, and then an opposing view will be presented, with the reporter acting as a kind of referee. Even when a journalist isn’t explicitly reminding us that ‘the truth, as always, is somewhere in the middle’, the very fact that these two particular views have made it into the mainstream media automatically confers some degree of legitimacy on them both. And the fact that both are given equal airtime can add to the impression that they are both equally worthy of attention. From here, it’s easy to side into the conclusion that the truth must lie roughly halfway between the two viewpoints.
But if we take this principle too far, it can lead us into dangerous territory, and here the issue of ‘selection bias’ plays a vital role. The halfway point in a TV interview with a government minister on the issue of racism, for example, will look very different if the opposing view is from a human rights activist rather than a member of Migration Watch, or the British National Party. Similarly, the halfway point in an interview with the Archbishop of Canterbury will be very different if the counterpoint is from an atheist like Richard Dawkins rather than a Muslim imam. Even where the journalist conducting the discussion takes a meticulously balanced approach, the very choice of interviewees will inevitably constrain the debate and lead the audience in a particular direction.

uit: Don't get fooled again : the sceptic's guide to life - Richard Wilson


dinsdag 9 december 2008

De grond was tot op kistdiepte bevroren

Jong was zijn zoon gestorven, nog voor de militaire dienst. Een rozestruik, vond de kolonel, zou mooi en bescheiden aan het vroeg verwelkte leven herinneren. Maar Lucienne, zijn vrouw, wilde niets van een struik weten – een steen moest er komen, van graniet. Hij schreeuwde, zij snikte. Na lange dagen van diepe smart konden ze eindelijk weer woorden spreken, ze vielen elkaar in de armen, ze voelden zich schuldig, ze waren oud en hun zoon, hun enige zoon, was vóór hen gestorven. De kolonel bleef bij de rozen, zij bij de steen. Hij onderhandelde met een hovenier en diezelfde dag reisde Lucienne naar de bergen, begeleid door Ossi Rick, de jonge steenhouwer. Toen ze laat in de avond thuiskwam, zaten haar zwarte kousen vol leemspatten en de kolonel had kunnen zweren dat de zwaarbeproefde moeder onder de douche had gezongen. Het was winter en de grond was tot op kistdiepte bevroren – pas in het voorjaar kon zijn struik worden gepoot. Toen verzonk hij weer in diepe droefheid, in een dagenlang dommelen. Lucienne bracht haar tijd door in het atelier van Rick. Ze wilde zien, had ze ter verklaring gezegd, hoe uit het ruwe rotsblok de grafsteen te voorschijn groeide. Op een ijskoude namiddag was het dan zover. De kolonel, door zijn vrouw bij het graf ontboden, geloofde zijn ogen niet. Achter de kerkhofmuur stond een hijskraan, stemmen brulden, plotseling doofde de zon, en als een vrij zwevende liftcabine zoefde er een bakbeest door de lucht, hoger en hoger, toen kwam het, gedirirgeerd door luide kreten, uit de hemel vallen, een schrapend geluid, versplinterend hout, de grafsteen was op zijn betonnen sokkel geland. Drie mannen maakten de stalen kabels los, gooiden ze in de lucht, en seconden later zwaaiden ze over de kerkhofmuur uit het zicht. Eigenlijk waren stenen van deze omvang niet toegestaan, legde de stem van een vrouw hem uit, alleen uit respect voor hem en zijn regiment waren de beheerders van het kerkhof te bewegen geweest een uitzondering te maken.
Hij keek omhoog naar de kraanmachinist, hij begreep er niets van.
‘Na de dood,’ ging ze glimlachend verder, ‘komen we allemaal onder die steen, ook jij, ook ik. Maar bij jou, mon cher, doet zich een bepaald probleem voor – jij hebt meer plaats nodig dan onze zoon of ik.’
De overste schok.
‘Je rang,’ zei ze, ‘je regiment!’
‘Wat blijft daarvan over?’ vroeg hij.
‘Niets,’ zei ze, ‘maar achter jouw naam en de jaartallen zullen we ook nog je rang en het regiment moeten vermelden.’
In het naburige bos snerpte een motorzaag. Hij staarde zijn echtgenote aan. Meer dan één regel, had ze gezegd, komt een dode niet toe. Hij stopte zijn vuisten in de zakken van zijn leren officiersjas en zag hoe de kraanmachinist hoog boven hem uit zijn stuurhuis kroop. Maar vreemd – niet de waaghalzige hemelbestormer, maar hij, die toch met beide voeten stevig op de grafaarde stond, werd plotseling door een duizeling overvallen. Om een vale zonneblaar heen begonnen man, hijskraan en stuurhuis te draaien, steeds sneller te draaien, te wervelen en suizen en tollen, een treurwilg schoot voorbij, toen Lucienne en opnieuw Lucienne en nu, zwaar, de klap. De kolonel hijgde. De duizeling ging voorbij. Godzijdank, hij was op de been gebleven. Een onzichtbare branding had hem tegen het granieten blok geworpen, op de grafsteen van zijn zoon. Als een blinde betastte hij de inscriptie. ‘Goed werk,’ zei hij hees, ‘verdomd goed werk’.
‘Dank je,’ zei Lucienne en stapte ondanks de kou in haar open bontmantel op de beeldhouwer af. Die stond, een pijp in zijn mond, bij de werklui. Toen verliet de kolonel het kerkhof en hij ging, zonder het vooralsnog te merken, een ander land binnen, een nieuw leven.

uit: Het tuinhuis : novelle - Thomas Hürlimann

____

maandag 8 december 2008

Dit is mijn manier om vat te krijgen op het mens-dom

Jan, de mens is een speciaal dier. Steeds strooit hij signalen uit. Ik heb geprobeerd die te rangschikken in 8 categorieën. Dit is mijn manier om vat te krijgen op het mens-dom.
1. Hij negeert u eerst, dan maakt hij u belachelijk en ten slotte gaat hij tot de aanval over.
2. Hij gebruikt de (nep)geeuw. Of hij zucht diep of hij staart glazig in de verte of hij kijkt herhaald op zijn horloge.
3. Hij trommelt met de vingers, tikt met de voet op de grond of klopt herhaald met de hand op de dij.
4. Hij houdt het hoofd wat achterover, met de ogen halfdicht.
5. Hij knijpt de lippen in het midden uit elkaar en trekt de mondhoeken opzij. (Eens proberen, Jan!)
6. Hij slaat met zijn vuist tegen zijn hoofd of houdt zuchtend zijn handen voor het gezicht.
7. Hij wijst met zijn duim naar beneden, of hij maakt een opwippend gebaar met de gebogen elleboog of met de vlakke hand.
8. Hij houdt zijn hand voor de mond om zijn vrolijkheid te verbergen.

6 januari 2001 [fragment]
uit: À titre Personnel - Thierry Deleu

____

zondag 7 december 2008

Slavernij voor bestuurlijke en militaire doeleinden

In verschillende samenlevingen vonden vorsten verschillende manieren om een dergelijke klasse van despotische belangenbehartigers te rekruteren en te onderhouden. In het oude Perzië, in China en soms in Rome en het Byzantijnse Rijk werd de bestuurlijke en zelfs de militaire klasse gevormd door eunuchen, die afgesneden van familiebindingen, de belangen van de monarch konden verdedigen tegen de gevestigde adel, zonder zelf zo’n positie te kunnen innemen. In Europa voorzag de Kerk de koning van kundige, geleerde en ambitieuze mannen die als eunuchen in de liefde Gods de vorst op vergelijkbare wijze dienden. Een andere aanpak was mannen van nederige of zelfs buitenlandse komaf te werven voor een staatsambt en door continue rekrutering te verhinderen dat ze tot een erkende erfelijke kaste zouden uitgroeien. Het is denkbaar dat het beroemde Chinese examenstelsel tijdelijk als zodanig heeft gefungeerd. Het meest succesvolle voorbeeld van deze handelwijze is ongetwijfeld het islamitische slavenleger en het bestuur door slaven.
Slavernij voor bestuurlijke en militaire doeleinden is geen onbekend verschijnsel in de klassieke rijken en schijnt niet onbelangrijk geweest te zijn tijdens de Parthische periode van het Perzische Rijk. Het systeem waarbij het bestuur door slaven werd uitgeoefend bereikte echter zijn meest ontwikkelde en karakteristieke stadium in de middeleeuwse islamitische staat. Moslimse historici schrijven de oprichting van het slavenleger toe aan de Abbasidische kalief Mu’tasim (reg. 833-842), de zoon van Harun ar-Rasjid. Toen hij nog prins was zou hij reeds een aanzienlijke hoeveelheid Turkse slaven uit Centraal-Azië hebben laten overkomen. Tijdens zijn kalifaat voegde hij er nog een groot aantal aan toe en formeerde uit hen regimenten lijfwachten. Dit gebruik werd door de meeste opvolgers voortgezet.
In Klein-Azië was dit systeem van slavernij bekend in het Seldjoekse sultanaat en in enkele oudere Turkse vorstendommen in het midden en oosten van het schiereiland. Zoals te verwachten kwam dit systeem niet voor onder de vrije strijders in de grensgebieden. De invoering door de Ottomanen is een van de nieuwigheden die door de traditionele gazi-geschiedschrijving wordt geweten aan de invloed van theologische indringers uit het Oosten. Volgens de vroegste kronieken was het Kara Rustem, een theoloog uit Karaman, die de toenmalige opperste legerrechter Candarli Kara Halil erop wees dat het bezit van de vorst tekort werd gedaan. In overeenstemming met het woord van God kwam een vijfde van alle buit de soeverein toe, en de door de gazi’s buitgemaakte gevangenen waren daarbij inbegrepen. De kadi bracht sultan Murat op de hoogte, die zei dat Gods wetten moesten worden nageleefd. ‘Deze nieuwlichterij’, zo tekent de chroniqueur met duidelijke weerzin aan, ‘was het werk van een koppel theologen.’ Een op de vijf gevangenen viel in het vervolg toe aan de sultan.
Vele jonge mannen werden ingezameld en naar de sultan gebracht. Halil stelde het volgende voor: ‘Laten we ze aan de Turkmenen geven om ze Turks te leren. Later zullen we soldaten van ze maken.’ Aldus geschiedde. Hun aantal groeide dagelijks en ze werden allemaal moslim. De Turkmenen maakten een aantal jaren gebruik van hun diensten en brachten ze daarna naar het paleis. Ze gaven hun witte hoofddeksels […] en noemden ze yeni çeri – nieuwe soldaten. Zo werd het beroemde legerkorps geboren dat men in Europa kende onder de naam janitsaren.
In naam van God hadden de islamitische adviseurs van de sultan rechtshandhaving en belastinginning, de koninklijke vijfde penning en het koninklijke slavenstelsel ingevoerd. Tegen deze tijd waren de Turken geen slaven meer, maar slavenhouders. De Anatolische Turken waren reeds een oud moslims volk, gevrijwaard van slavernij door de wet en oude tradities. Maar een doeltreffend vervangmiddel was gereed om ter hand te worden genomen. Precies zoals eeuwen daarvoor de moslimse krijgslieden uit de Centraal-Aziatische grensgebieden van de islam heidense Turken hadden gevangengenomen en tot slaaf hadden gemaakt, voerden nu de moslimse Turkse gazi’s aan de westelijke grenzen oorlog tegen hun christelijke tegenstanders en behandelden ze hun gevangenen – overeenkomstig de islamitische wetten – als buit. Net zoals de moslimse kaliefen en emirs uit Bagdad en Perzië stelden ook de Ottomaanse sultans hun vreemdelingenlegioen samen uit slaven, die ditmaal werden geselecteerd uit hun christelijke gevangenen.
Het rekruteren van gevangenen kwam echter sporadisch voor en stemde niet tot tevredenheid. De wervingen vonden onregelmatig plaats en de volwassen soldaten die werden opgeleverd werden zeker minder gemakkelijk opgenomen dan de barbaarse jeugdigen die de rekruten van de vroege Mammelukse legers waren. Ergens tegen het einde van de veertiende eeuw pasten de Ottomanen een nieuwe methode toe: de beroemde devşirme, of oplevering van jongens die uit de christelijke dorpsbevolking werden gerekruteerd voor inlijving in het Ottomaanse leger en de staatsdienst. Dit systeem, met een twijfelachtige fundering in de islamitische wet, werd niettemin een vaste Ottomaanse instelling die in werking bleef tot de zeventiende eeuw en mogelijk langer.
Met dit instrument werd aan twee doelstellingen beantwoord. Enerzijds werd een overvloedige aanvoer van slaven gewaarborgd om in de behoeften van het leger en de hofhouding van de sultan te voorzien. Anderzijds werd de energie van Roemelië aangewend voor gebruik door de Ottomaanse staat. Om de vijf jaar reisden speciale gevolmachtigden door Roemelië – later ook door Anatolië en stelden een keuze samen van jongens die bestemd waren voor de devşirme. Deze werden vervolgens bekeerd tot de islam en ze leerden Turks, vaak door ze als vazal of wapendrager onder te brengen bij leden van de feodale cavalerie of sipahi-klasse. In een vroeg stadium werden ze naar een verzamelpunt gestuurd, waar ze door een commissie werden ondervraagd en ingedeeld bij verschillende onderdelen in de dienst van de sultan. De meerderheid werd tot militair cadet benoemd en klom uiteindelijk op in het janitsarenkorps, of in een andere tak van het betaalde staande leger. De allerbesten onder de rekruten werden bij de paleisschool voor pages ondergebracht, waar ze na een lange, uitvoerige scholing lid werden van de keizerlijke huishouding en ze benoemd konden worden tot de hoogste regeringsambten, waarin gewoonlijk voor het grootste deel uit deze bron werd voorzien, zelfs voor het grootviziersambt. Tot de zestiende eeuw was dit de enige manier waarop voor het janitsarenkorps werd geworven. Vrijgeboren moslims konden zich geen van allen aanmelden en zelfs de kinderen van leden van het korps werden zonder pardon buitengesloten.
Dankzij de devşirme, aangevuld met gekochte en geschonken slaven, waren de sultans in staat een enorme massa geoefende soldaten en bestuurders, wier loyaliteit alleen het korps en het koninklijk huishouden betrof, in dienst te nemen en tegelijkertijd te verhinderen dat een erfelijke kaste van heersers ontstond. De militaire slavenmacht stond bekend onder de naam kapi kulu, Slaven van de Poort, ter aanduiding van hun verwantschap met de sultan en om ze te onderscheiden van de vrijgeboren feodale lichtingen. Hun onderworpenheid was overigens meer van politieke dan van juridische aard. Hoewel ze voorheen slaven waren geweest, bezaten ze de rechten van vrije mannen terzake van bezit, huwelijk en persoonlijke status en werden ze niet behandeld als slaven in de juridische betekenis van het woord. Ze werden echter beschouwd als het persoonlijk bezit van de sultan en ze stonden met hun leven en hun goederen geheel tot zijn beschikking.

uit: Istanbul en de wereld van het Ottomaanse Rijk - Bernard Lewis

____

zaterdag 6 december 2008

First, I am a fraud

And yet, mysteriously, I have never had difficulty making my way in academic life. How could I fail abysmally at school, and be succesful, at a main school subject, outside the place? A number of explanations suggest themselves: none of them flattering and only one (the fifth) which does not do grievous harm to the ego. First, I am a fraud (an unpleasantly persuasive explanation). Second, I am a lucky fraud (ditto). Third, the subject I gravitated to, English, is a very soft option (‘squish’, as the Americans say) and a natural home for fraudulence. If I had subject, like physics or anthropology, I would have been found out (ditto). Fourth, I wasted my opportunity at school, and only applied myself later (not persuasive – like the ‘late developer’ thesis, too easy on my early failures, which are consistent and thoroughly documented). Fifth, consciously or unconsciously, I pissed off the teachers and consciously or unconsciously they paid me out with low grades. Sixth, the system was wasteful, and simply did not take trouble with pupils who didn’t comfortably slip their foot into the school’s glass slipper (true, I know, for others, if not for me). Seventh, really clever kids perceived academic life to be a dead end, and took their talents elsewhere. Success in academic life is dud’s gold (deuced persuasive). Eighth, who gives a damn after fifty years?

uit: The boy who loved books : a memoir - John Sutherland

____

vrijdag 5 december 2008

Zoals het gras sterker is dan de stier

1. Ik weet het, liefste: door het liederlijk leven vallen nu
mijn haren uit, en ik moet op de stenen liggen.
Jullie zien mij goedkope jenever drinken, en ik loop maar in de wind.

2. Maar er was een tijd, liefste, dat ik netjes was.

3. Ik had een vrouw, die sterker was dan ik, zoals het gras
sterker is dan de stier: het richt zich weer op.

4. Ze zag dat ik boosaardig was, en beminde mij.

5. Ze vroeg niet waarheen de weg voer, die haar weg was, en
misschien ging het bergaf. Toen ze me haar lijf gaf zei
ze: dat is alles. En het werd mijn lijf.

6. Nu is ze nergens meer, ze verdween als de wolk
na de regen, ik liet haar, ze ging ten gronde, want
dat was haar weg.

7. Maar ’s nachts, bij tijden, als jullie mij zien drinken, zie ik
haar gelaat, bleek in de wind, sterk en naar mij toegewend, en ik
maak een knieval in de wind.

Gezang van een geliefde
uit: Zoals de wolk na de regen : gedichten - Bertolt Brecht [samenst. en vert. Germain Droogenbroodt]

____

donderdag 4 december 2008

The castles of Spain are lieutenants to her cathedrals

War is a vocation of the Spaniards. They have lately enjoyed a long period of peace, but this is a rarity in their history, which is punctuated always by conflict. Their country is a castle, moated and ramparted, and inside it citadels are everywhere, giving it all a military air. There are resplendent castles on hilltops, like the shimmer of Vélez Blanco in Andalusia, part of whose inside was ripped out in 1903, and shipped to New York. There are Christmas-cake castles, all turrets and drawbridges, like the ineffable Coca near Segovia – every boy’s idea of a proper fortress. There are museum-castles, like Belmonte, south of Cuenca, whose janitor will wave you goodbye all the way down the long ramp of the fosse, only interrupting himself to consult his great gold watch to see if it is nearly closing time. There are trim private castles perched on humps, and there are sprawling Moorish castles, supervising white cities of the south, or peering rheumily down strategic valleys. There are castles that are still castles, with guns protruding from their loopholes, and frowning soldiers in their sentry-boxes. There are castles that are hotels, like the splendid fortress of Ciudad Rodrigo, near the Portuguese frontier. There are castles that are villages, like the quaint stronghold of Guadalest, near Benidorm, whose walls are full of houses, whose keep is the cemetery, and whose church belfry stands so high upon the ramparts that a long rope is left trailing down to the alley below, for the convenience of the bell-singer. There are castles that are university departments, like the picture-postcard fortress of Peñíscola, on the Valencian coast, which has been beautifully done up with plate glass and panellling, and is garrisoned by foreign sudents. There are impeccable round castles, like old decayed teeth in the hills; there are castles so grand that the whole world knows them, like the Alhambra, and castles so unassuming that you have to look hard down back streets before you find them at all. The castles of Spain are lieutenants to her cathedrals. Castile itself is called after them, and their name has gone into half the languages of Europe: a castle in Spain is what the ambitious Crusader dreamt of, when he fastened his greaves to go to war.
They remind us that Spain was forged in battle. Her castles were frontier fortresses, pushed southwards century by century as the Moors were expelled, and the Spanish kings moved their capitals from front to front. Civil war has been an commonplace of Spanish history, and there are not many Spanish cities that do not boast of some heroic episode in the past, or cannot flaunt some warlike royal motto: Very Noble (says Seville’s, for instance), Very Loyal, Very Heroic and Invincible. Scarcely a corner of Spain has not been a battlefield, at one time or another, and Spanish soldiers served not only on Hadrian’s Wall, against the barbarians, but also with the Nazis in Russia, against the atheists. ‘Back to the struggle,’ wrote Byron of the Spaniards, ‘baffled in the strife, War, war, is still the cry, War even to the knife!

uit: Spain - Jan Morris

____

Ze ondertekent een niet-bemoeienisovereenkomst

De winter schijnt het appartement van Alex niet op te merken. De koude slaagt er niet in door te dringen tot de flat vol verse orchideeën, grasgroene gordijnen en lederen fauteuils. Het appartement is als een onderzeeër die in een donkere zeestraat ligt. In het vizier liggen andere appartementen en verlichte huizen die tekens van bewoning vertonen. Babs ziet vaders roeren in grote braadpannen, kinderen zitten gebogen over huiswerk, huismoeders zitten verdiept in computerspellen onder een zieltogende sfeerlamp, een vrouw telt de suikerkorrels in haar suikerpot opdat de poetsvrouw ze niet ongemerkt kan stelen, een bejaarde man drinkt een gat in de zwarte nacht, een man warmt zijn handen aan het droomverhaal van zijn zoontje. Er wordt geleefd, en wel zorgeloos, vanzelfsprekend en geruststellend.
Sinds haar overhaaste vlucht van Ruben en de Sterfelijken een maand geleden leeft Babs bij Alex, de drieëndertigjarige zoon van een oude studievriendin van Katrien. Wij weten dat die haar zoon onder lichte dwang tot deze gunst heeft aangezet. Aangezien Alex alles voor zijn moeder doet, kon hij niet weigeren. Zijn moeder bewondert haar jongen om zijn verstand, zijn grote verantwoordelijkheidsgevoel en zijn onvervalste levenslust. Over acht maanden wordt Alex vierendertig. De vierendertig flessen champagne voor het grootse feest heeft hij al lang besteld.
En dan willen wij even terloops de vraag opwerpen of de wereld niet van de bestellingen aaneenhangt. Hoe kan anders een oude vrouw vermoord worden op het kerkhof van Vetersberg, vlak bij het graf van haar zoontje? Heeft zij een huurmoordenaar betaald om haar op die plaats om te brengen? Wij verontrusten niemand nodeloos, wij keren terug naar Alex en Babs met de vraag of orde gemoedsrust brengt. Alex legt Babs de vaste plaats van de etenswaren in de koelkast uit, en ook de regeling van het linnen. Ze ondertekent een niet-bemoeienisovereenkomst en krijgt de sleutel van de voordeur.
’s Avonds is Alex doorgaans terug te vinden in de clubs van de stad, overdag werkt hij als specialist personenrecht bij een Zeer Groot Advocatenkantoor. Zijn oversten zijn bijzonder tevreden over zijn werk. Zijn minnaars ook.

uit: Eeuwige roem - Saskia de Coster


____

dinsdag 2 december 2008

Wij pronkten als vermisten

Misbaksel,
Zullen wij nu voor de tweede keer samen in de krant staan, naast elkaar in de zinnen van één artikel? Als je er nog toe in staat bent, zul je het artikel dan netjes uitknippen en overschrijven, of in een plakboek kleven, zoals de krantenhelden van één dag dat doen – de duivenmelkers, het echtpaar met de diamanten bruiloft en de vrouw die de langste wasdraad ter wereld had?
Twintig jaar geleden stonden we samen in de krant, naast elkaar, op gelijke hoogte. Wij pronkten als vermisten. Vermisten zijn de vips van de krant, zij krijgen de meest gelezen artikels. Wij hadden het op negenjarige leeftijd al tot de voorpagina geschopt.
Wie zou ons dat nadoen?
Wij zullen dat nu doen.
In welke rubriek wil je staan?

uit: Held - Saskia de Coster

____

maandag 1 december 2008

Een boosaardige éénvormigheid

‘Op mijn vrouw,’ zei hij.
‘Ik wist niet dat u een vrouw had,’ zei de barman, altijd even beleefd.
‘Op haar nagedachtenis. Ze is vorig jaar gestorven.’
‘Dat spijt me,’ zei de barman. ‘Haar sterfdag vandaag?’
‘Ze is op de dag van de races gestorven,’ begon meneer Solomon, maar de barman was intussen discreet weggelopen naar een klant aan het andere eind van de bar. Hij knipperde met zijn ogen en leegde zijn glas, toen werd hij ontzettend kwaad op die beleefde barman. Hij voelde de whiskey door zijn keel krieuwelen, hij had het gevoel of er iets binnen in hem bezoedeld werd door die nietszeggende beleefdheid, de discrete verlichting in die hotelbar. Hij stapte op.
Buiten verblindde de schittering hem evenzeer als de donkerte daarnet. Meneer Solomon keek de smalle gele straat af. Er liepen drommen mensen, en naar hen kijkend voelde meneer Solomon voor het eerst haat tegen ze, en masse. Hij voelde een boosaardige éénvormigheid in die mensen. Hij voelde dat ze maar wat lachten in hun zomerkleren. Hij voelde zich een nietig radertje in het vakantiemechaniek van al die vakantieplaatsen, hij voelde zich op de een of andere manier een slaaf van hun fleurige kleren, hun bruinverbrande lijven. Hij had niet langer het gevoel dat ze gestorven was, hij voelde dat ze was vermoord, dat die onpersoonlijke vakantievreugd hen alletwee als slaven geknecht had, hem jaren ouder had gemaakt als een traag voortwoekerend kankergezwel, en haar volledig had vernietigd. Hij voelde zijn verdriet nu in zijn binnenste branden als lauwe Ierse whiskey. Hij stak sneller de straat over dan hij gewoon was, al was zijn tred nog altijd lethargisch naar de norm in die straat. Hij ging de wit met zwarte pub met het puntdak binnen.
Die middag moest zijn verhaal wedijveren met de banjospelende zigeuner, met het gekletter van bierglazen, het verhaal van die zoon van een wegwerker die teruggekomen was en drie plaatselijke caféhouders had uitgekocht.

Meneer Solomon huilde [fragment]
uit: Night in Tunisia en andere verhalen - Neil Jordan

____