‘Ik weet niet hoe hij heet. Alle gegevens op het inschrijfformulier van het hotel zijn vals. Hij heeft nog nooit iets met zijn creditcard betaald. We hebben geen idee waar hij vandaan komt of waarheen hij gaat. Zelfs zijn telefoontje naar het vliegveld kan bedrog zijn.’
Iedereen draaide zich om naar de vreemdeling, maar deze hield zijn blik strak op Chantal gericht.
‘Maar de keren dat hij de waarheid sprak, geloofden jullie hem niet. Hij heeft echt voor een wapenfabriek gewerkt en heeft veel avonturen beleefd, hij kent het leven in velerlei hoedanigheden van liefhebbende vader tot keiharde zakenman. Omdat jullie nooit ergens anders gewoond hebben dan hier, kunnen jullie je niet voorstellen dat het leven veel complexer en rijker is dan jullie denken.’
Ze moet nu wel gauw uitleggen waar dit allemaal op slaat, dacht de hotelhoudster bij zichzelf. En Chantal kwam met de uitleg: ‘Vier dagen geleden liet hij me tien heel grote staven goud zien. Voldoende kapitaal om alle inwoners van Viscos voor de komende dertig jaar een zorgeloos bestaan te bieden, om belangrijke verbeteringen in het dorp uit te voeren, om een speeltuin aan te leggen in de hoop dat we ooit weer kinderen in ons dorp hebben. Vervolgens heeft hij de staven ergens in het woud verborgen. Ik heb geen idee waar.’
Weer draaide iedereen zich om naar de vreemdeling. Nu keek hij wel naar ze, en hij knikte bevestigend.
‘Dat goud wordt van Viscos als hier in de komende drie dagen iemand vermoord wordt. Als dat niet gebeurt, dan vertrekt de vreemdeling en neemt zijn schat mee.
Dat was het. Ik heb alles gezegd wat ik moest zeggen, ik heb de galg al op het plein teruggezet. Alleen dit keer staat hij er niet om een misdaad te voorkomen, maar om er een onschuldige mee op te hangen, om door het offeren van die onschuldige het dorp welvaart te brengen.’
Voor de derde maal draaiden de mensen zich naar de vreemdeling, opnieuw knikte hij bevestigend.
‘Dat meisje kan goed vertellen,’ zei hij, deed de recorder uit en stak hem terug in zijn zak.
Chantal begon de glazen af te wassen. Het leek alsof de tijd was gestopt; niemand zei wat. Het enige geluid was dat van de lopende kraan, van het glas dat op het marmeren blad gezet werd, van de wind in de verte, die aan de bladerloze takken rukte.
De burgemeester verbrak de stilte: ‘Laten we de politie bellen.’
‘Doe dat,’ zei de vreemdeling. ‘Ik heb hier een opname op cassette. Het enige wat ik gezegd heb, is: “Dat meisje kan goed vertellen”.’
‘Meneer, wilt u alstublieft naar uw kamer gaan, uw spullen pakken en onmiddellijk ons dorp verlaten,’ smeekte de hotelhoudster.
‘Ik heb voor een week betaald, en ik blijf een week, al moet ik de politie erbij halen.’
‘Er al aan gedacht dat u weleens degene zou kunnen zijn die vermoord wordt?’
‘Natuurlijk, maar het kan me weinig schelen. Mochten jullie dat doen, dan plegen jullie weliswaar een moord, maar de beloofde beloning zullen jullie nooit krijgen.’
Een voor een verlieten de dorpelingen de bar, de jongsten het eerst, de oudsten het laatst. Ten slotte waren alleen Chantal en de vreemdeling over. Ze pakte haar tas, deed haar jas aan en liep naar de deur. Daar draaide ze zich om.
‘U bent een man die geleden heeft en wraakt zoekt,’ zei ze. ‘Uw hart is dood, het licht in uw ziel is gedoofd. De duivel aan uw zijde staat te grijnzen omdat u zijn spelletje speelt, het spelletje dat hij heeft bedacht.’
‘Bedankt dat u hebt gedaan wat ik u vroeg. En bedankt voor het interessante, waargebeurde verhaal over de galg.’
‘In het bos hebt u gezegd dat u het antwoord zocht op bepaalde vragen, maar binnen het plan, zoals u dat hebt opgesteld, loont alleen het kwaad; als er niemand vermoord wordt, levert dat niets op behalve een mooi praatje misschien, het goede loont niet. En zoals u weet, praatjes vullen geen gaatjes, je restaureert er geen bouwvallige dorpjes mee. U zoekt geen antwoord op vragen, u wilt maar één ding bevestigd zien, iets waar u wanhopig in wenst te geloven, namelijk dat iedereen slecht is.’
Er veranderde iets in de blik van de vreemdeling, zag Chantal.
‘Als iedereen slecht is, biedt dat een rechtvaardiging voor de tragedie die u hebt meegemaakt,’ ging ze verder. ‘Dan wordt het makkelijker voor u om het verlies van uw vrouw en kinderen te accepteren. Maar als er goede mensen bestaan, dan wordt het leven voor u ondraaglijk, ook al beweert u het tegenovergestelde. Want het lot heeft u een hak gezet, onterecht, en dat weet u. U wilt het licht niet terug, nee, u wilt alleen de zekerheid hebben dat er niets dan duisternis bestaat.’
‘Waar bent u op uit?’ klonk het zenuwachtig. Het kostte hem moeite zijn stem onder controle te houden.
‘Dat u op een rechtvaardiger manier inzet in dit spel; dat, ook als er binnen drie dagen niemand vermoord wordt, het dorp de tien staven goud krijgt. Als beloning voor de integriteit van zijn inwoners.’
De vreemdeling lachte.
‘En dat ik mijn staaf krijg, als loon voor mijn rol in dit smerige spelletje.’
‘Ik ben niet dom. Als ik daarop in zou gaan, is het eerste wat u doet naar buiten rennen en het aan iedereen vertellen.’
‘Dat is een risico. Maar dat doe ik niet, ik houd mijn belofte, ik zweer het u bij mijn grootmoeder zaliger en bij mijn eigen eeuwige zaligheid.’
‘Dat is niet voldoende. Wij, mensen, weten niet of God onze eden hoort, en ook niet of er een eeuwige zaligheid bestaat.’
‘U weet heel goed dat ik eerder ook mijn belofte heb gehouden, want ik heb een nieuwe galg op het plein gezet. Als ik vals speel, zal u dat zeker opvallen. Bovendien, zelfs al zou ik nu buiten gaan rondbazuinen wat we zojuist besproken hebben, geen hond zou me geloven. Op dezelfde manier hoef ik ook niet in het dorp aan te komen met de hele schat en te zeggen: “Kijk eens, dit is voor jullie, zie maar of je doet wat de vreemdeling wil.” De mannen en vrouwen van Viscos zijn gewend om hard te werken, om in het zweet huns aanschijns te zwoegen voor iedere cent; dat hun zomaar een schat in de schoot zou vallen, zullen ze absoluut niet geloven.’
De vreemdeling stak een sigaret op, dronk zijn glas leeg en stond van tafel op. De kou drong de bar binnen, bij de geopende deur wachtte Chantal op antwoord.
‘Als ik bedonderd word, merk ik dat,’ zei hij. ‘Ik beschik over een behoorlijke dosis mensenkennis, net als jullie Ahab.’
‘Daar twijfel ik niet aan. Dus het antwoord is “ja”.’
Voor de zoveelste keer die avond knikte hij alleen maar.
‘En dan nog iets: u gelooft nog steeds dat de mens in wezen misschien toch wel goed is. Anders had u nooit deze hele domme toestand opgezet.’
Chantal deed de deur dicht, liep door de – op dit uur volledig uitgestorven – straat en snikte onophoudelijk. Ongewild was ze uiteindelijk toch betrokken geraakt bij het spel. Een weddenschap was het, en zij wedde dat de mensen goed waren, ondanks alle kwaad in de wereld. Wat ze zojuist met de vreemdeling besproken had, zou ze nooit aan iemand vertellen; ook zij wilde nu weten wat de uitslag van het spel zou zijn.
Nergens brandde licht. Maar ze wist dat overal tussen de gordijnen ogen priemden die haar nakeken tot thuis. Het deed er niet toe, de duisternis verborg haar tranen.
uit:
De duivel en het meisje - Paulo Coelho

____