dinsdag 20 januari 2009

Als een dier dat in een laboratorium of in een dierentuin gefokt en opgegroeid is en nu losgelaten wordt

Oz is al een paar jaar niet meer in zijn oude buurt geweest en onderweg is hij opvallend stil. Plotseling duikt hij een steegje in, loopt een trappetje op en gaat op zoek naar een café waar hij vroeger graag kwam.
‘Het moet hier ergens zijn,’ zegt hij. ‘Het… is…ja! Hier.’
‘Tmol Sjilsjom’ staat er op het uithangsbord, ‘Eergisteren’, de titel van een roman van S.Y. Agnon. In Oz’ jeugd was Agnon de opvallendste literaire persoonlijkheid van Jeruzalem, een immigrant uit Galicië die in het Hebreeuws schreef en in 1966 de Nobelprijs kreeg.
Oz veegt zijn voorhoofd af en bestelt iets verkoelends. Onze wandeling door Kerem Avraham was een soort expeditie, een optreden-op-verzoek – de schrijver die thuiskomt op de plaats van het boek, de plaats van het misdrijf. Het lijkt hem te hebben uitgeput.
‘We zijn zojuist op een plek geweest die niet meer bestaat,’ zegt hij. Althans niet meer zoals in het leven en in de boeken van Amos Oz. ‘Toen ik in Oxford, Mississippi kwam, ben ik snel weer naar de boeken van Faulkner gevlucht. Het was een verbleekte reproductie van het echte Oxford.’ Bijna de helft van al Oz’ boeken – waaronder Mijn Michaël, De heuvels van de boze raad, Dezelfde zee en nu Een verhaal van liefde en duisternis – speelt zich af op die anderhalve kilometer in Kerem Avraham.
Als schrijver en als docent – hij doceert literatuurwetenschap aan de Ben-Goerion-Universiteit in Beër Sjeva – is Oz naar zijn eigen zeggen een ‘betrokken buitenstaander’. Hij kent wel degelijk andere literatuur, maar zijn obsessie geldt voornamelijk de vertellers, essayisten en dichters die in het modern Hebreeuws schrijven en zo hebben geholpen het culturele zionisme vorm te geven.
‘Mijn ouders kenden allebei al Hebreeuws voordat ze naar Palestina gingen,’ zegt hij. ‘Ze kenden ook Jiddisch, maar dat was in hun ogen de taal van de sjtetl, de taal van de vorige generatie, dus uit verzet tegen hun voorouders wilden ze die niet spreken. Voor mijn moeder was het Jiddisch de taal waarin haar ouders ruzie maakten. Het Hebreeuws van mijn kinderjaren was een taal die zijn eerste stapjes in de vrije natuur zet, als een dier dat in een laboratorium of in een dierentuin gefokt en opgegroeid is en nu losgelaten wordt.’
Na zeventien eeuwen een vrijwel geheel sluimerend bestaan te hebben geleid, werd het Hebreeuws door een klein groepje nationalisten in Europa in de late negentiende eeuw als modern communicatiemiddel ingezet. ‘Er bestaat een mythe dat een genie of een gek, een zekere Elizer Ben Yehuda, het Hebreeuws om ideologische redenen nieuw leven heeft ingeblazen en dat hij duizenden nieuwe woorden heeft bedacht – en die mythe is waar,’ zegt Oz. ‘Dat gebeurde rond de eeuwwisseling hier in Jeruzalem. Maar natuurlijk kan zelfs een genie een Noor niet dwingen om van de ene dag op de andere Koreaans te gaan spreken, of een Griek om op Portugees over te stappen. Dus wat is er nu precies gebeurd? In het laatste decennium van de negentiende eeuw ontstond er een grote toeloop van Europese joden naar Jeruzalem – de meesten waren trouwens geen zionist maar ultra-orthodox, ze kwamen om religieuze redenen, om op de Olijfberg te worden begraven – en die kwamen in contact met de plaatselijke joodse bevolking, de Sefardim, maar er was geen gemeenschappelijke taal. Er was maar één manier om de weg naar de Klaagmuur te vragen of een appartement in de Oude Stad te huren: in het Hebreeuws uit de gebedenboeken. Als je honderd jaar geleden duizend praktiserende katholieke Fransen met duizend praktiserende Litouwse katholieken op een onbewoond eiland had gezet, dan hadden zij om dezelfde reden het Latijn weer tot leven gewekt.’
Bovendien waren er al in de achttiende eeuw schrijvers die schreven in wat haast overal ter wereld als een dode taal werd beschouwd: Chaim Nachman Bialik, Yosef Chaim Brenner, Micha Berdichevsky en later dus S.Y. Agnon. Als Oz op tournee is in Europa en in Amerika en lezingen en toespraken houdt, wil het publiek het meestal over de actualiteit hebben en niet over literatuur, en bovendien kennen zelfs veel joden Agnon en de andere literaire ankerpunten van Oz niet. Dat is net zoiets als Gabriel García Márquez lezen maar nooit van Cervantes hebben gehoord.
‘Agnons verbeeldingskracht staat op hetzelfde niveau als die van Robert Musil en Hermann Broch,’ zegt Oz. ‘Waarom hield hij vast aan het Hebreeuws? Zelfs als hij in het Jiddisch had geschreven, had hij een groter lezerspubliek bereikt. We hebben hier te maken met een schrijver die realistische, beeldende boeken schreef in een taal die eigenlijk niemand behoorlijk sprak. Dat deed hij natuurlijk gedeeltelijk uit ideologische overwegingen, neozionisme. Die eerste schrijvers waren vooral gefascineerd door de muzikale schoonheid van het Hebreeuws, en dan had je natuurlijk ook de negentiende-eeuwse Romantiek – 1848, de opkomst van de natiestaat, de belangstelling voor folklore, terug naar de oorsprong. Dat speelde in heel Europa.’
De wedergeboorte van het Hebreeuws is het grootste succes van het culturele zionisme. In het begin van de twintigste eeuw werd de taal door tienduizend mensen gesproken, in de jaren veertig al door driehonderdduizend en nu door zeven à acht miljoen. ‘Dat is meer dan de hele Deens sprekende bevolking,’ zegt Oz. ‘En meer dan alle Engelssprekenden in de tijd van William Shakespeare. Dus dat heeft mijn leven heel sterk bepaald, nog meer dan de stichting van onze staat, het droogleggen van de moerassen of onze overwinningen op het slagveld.’
Merkwaardig genoeg heeft Oz relatief weinig affiniteit met de joods-Amerikaanse schrijvers van zijn eigen generatie. Hij heeft Bellow, Malamud en Roth gelezen en beseft heel goed dat zelfs sommigen uit zijn eigen familie liever New York tot hoofdstad van hun beloofde land hadden gemaakt dan Jeruzalem, maar toch lijkt hij niet alleen onverschillig tegenover die schrijvers te staan, maar zelfs op hun werk en hun onderwerpkeuze neer te kijken.
‘Even vet aangezet, maar ik kan me voorstellen dat ik ook zo’n joods-Amerikaanse schrijver met een Russische achtergrond zou zijn geworden die voornamelijk over de neuroses van immigranten en hun nakomelingen schrijft,’ zegt hij. ‘Dat zou waarschijnlijk ook mijn onderwerpskeuze zijn geweest als ik hier was opgegroeid. Dan had ik niet over de woestijn geschreven of over de sterrenhemel boven het platteland. Ik heb als lezer een zekere moeite met – ja, het is geen literair genre en ik zou het als literatuurdocent in de collegezaal ook nooit zo aanduiden – binnenhuisliteratuur… Wat ik te vertellen heb, heeft bijna allemaal met buiten te maken, met de woestijn, het open veld, de schrale, onvruchtbare bergen rond Jeruzalem, de wijken, de straten, de tuin, de kibboets. Van binnenhuisliteratuur word ik claustofobisch.’

Waterpas: Amos Oz [fragment]
uit: Reporter : de beste artikelen uit The New Yorker - David Remnick

____