vrijdag 16 januari 2009

Dat ik opeens verwelkte als een lelie

‘Milosch, wanneer kom je bij ons op bezoek, wanneer?’ vroeg ze.
‘Als je wilt, overmorgen…’ hakkelde ik.
En ik moest het sein ‘V-negen’ geven: ‘conducteurs neemt uw plaats in’, en de conductrices gaven met opgestoken lantaarns het teken dat alles klaar voor vertrek was, en ik stak mijn groene lantaarn omhoog en de trein zette zich in beweging en Mascha drukte zich opnieuw tegen me aan, zo stevig als onze twee foto’s tegen elkaar gedrukt moesten zitten, en Mascha kuste me en daarna greep ze zich vast aan de ijzeren stang en sprong op de treeplank, de dienstlamp op haar borst gaf een blauwachtig licht en ik stond daar als verstomd, want ik realiseerde me dat ik werkelijk een man was, ik kon me daar zelf van overtuigen, ik betastte ook mezelf, ja, ik was een man, maar hoe was het dan mogelijk dat, wanneer het zo ver was, zoals me dat overkwam toen het met Mascha gebeuren moest, dat ik opeens verwelkte als een lelie? De laatste keer dat ik haar gezien had, was in het ziekenhuis toen ze op bezoek kwam, ze boog zich over mijn bed, ze had een blauwe jas met zilveren knopen aan, en toen die jas zich over me heen boog, schitterden de knopen als een rij lampen op een brug, ze kustte me, maar even daarvoor viel uit haar borstzak het zwarte dienstfluitje tegen mijn tanden aan, daarna ging ze op mijn bed zitten, precies op mijn verbonden hand, maar ze moest al gauw weer gaan, een patiënt onder narcose kwam bij en wilde opstaan, maar hij was vastgebonden en begon te schreeuwen: Max, laat het stuur los, laat het los Max! En hij rukte zijn ene hand uit de riem los en graaide onder het bed, greep de glazen urinefles en smeet hem met vreselijke kracht van zich af, die fles vloog het hele zaaltje door en sloeg tegen de muur aan stukken, precies daar waar ik lag en Mascha kwam onder de urine te zitten, ze ging weg en de druppels schitterden haar in het haar, bij de deur zond ze me een handkus toe en toen pas durfde ik haar voor het eerst aan te kijken, en toen ik daarna het ziekenhuis uitkwam, keek ik om me heen, maar niemand kwam me afhalen, die dag was ik droevig gestemd, want in het bed naast me lag een vijftienjarig meisje, ze had thuis in de kast een cadeautje gevonden dat haar ouders daar voor haar verborgen hielden, een paar viltlaarzen, ze kon toen de verleiding niet weerstaan en trok ze aan en reisde ermee naar Praag, maar bij de rotspartijen van Satalic kwam haar trein in botsing met een andere personentrein, en de zitbanken, die tegen elkaar gedrukt werden, hadden haar benen afgekneld; en toen ze bijkwam uit de narcose riep ze voortdurend: Doe die viltlaarzen in de kast, die viltlaarzen… In mijn eentje kwam ik van het ziekenhuis, toen ik in de winkelramen keek, herkende ik mezelf niet, alsof ik iemand anders was, maar eindelijk zag ik dat ik het toch wel was, ik snuffelde bijna aan mezelf, maar toch kreeg ik weer het gevoel dat het iemand anders was, totdat ik mijn arm optilde en het spiegelbeeld hetzelfde deed, toen tilde ik ook mijn andere arm op en die daar in het raam deed het ook, en ik keek om me heen en bij een traliehek stond een metselaar, een reus van een kerel in witte kleren, helemaal onder de verf en de kalk, op het trottoir lag een blusapparaat – merk Minamax – en die metselaar keek naar me en rolde een sigaret, stak hem daarna in zijn mond, streek een lucifer aan, maakte van zijn handpalmen een mandje, en boog zich voorover en stak die sigaret aan, maar bleef ondertussen voortdurend naar mij kijken, alsof de deur van de hotelkamer zich tussen ons bevond, een deur op een kier, waardoor van de ene kant het oog van die metselaar en van de andere kant mijn oog gluurde… ik had toen het gevoel alsof iemand aan de andere kant dezelfde deurkruk als ik in zijn hand hield. En toen wist ik dat die reus van een metselaar in zijn onder de kalk zittende witte kleren God was die zich vermomd had…

uit: Zwaarbewaakte treinen - Bohumil Hrabal

____