Nadat SS-Obergruppenführer Reinhard Heydrich in september 1941 ‘Stellvertretender Reichsprotektor von Böhmen und Mähren’ was geworden, luidde een van zijn eerste bevelen dat het beeld van de joodse componist Felix Mendelssohn-Bartholdy verwijderd moest worden van het Rudolphínum, waarop hij vanuit zijn werkkamer op de Burcht vrij zicht had. Een groep Tsjechische arbeiders klom op het concertgebouw, dat tussen beide wereldoorlogen als parlementsgebouw was gebruikt, maar wist door een gebrekkige muzikale scholing niet welk joods beeld ‘geliquideerd’ moest worden. Na kort beraad werd op grond van wijdverbreide clichés besloten om de componist met de grootste neus omlaag te takelen, zodat niet Mendelssohn, maar Richard Wagner, muzikaal idool der nazi’s, op de keien van het plein belandde – volgens de schrijver Jiří Weil een van de voorvallen die de Tsjechen in het spraakgebruik van de nazi’s tot ‘lachende beesten’ maakten, omdat het groepje arbeiders de woede van de opdrachtgevers glimlachend over zich heen had laten gaan. Het ‘geintje’ werd hersteld, maar Mendelssohn doorstond ongeschonden de oorlog, ondergedoken in een museumkelder, van waaruit hij in 1946 weer op zijn plaatst werd gezet – de derde van rechts.
De pogrom [fragment]
uit:
Kafka & Co : Praagse vertellingen - Jos Schneider

____