donderdag 8 januari 2009

De omgekeerde archeologie

Bij het horen van de naam Selma vervielen wij in een naargeestig zwijgen. Ten slotte zei mijn moeder zacht: ‘Wat denk je op die foto te ontdekken? Een mens is wie hij is, niet wij hij is geweest.’
Laat op de avond, toen ik afscheid had genomen en door de uitgestorven buurt naar huis wandelde, dacht ik aan haar woorden terug. Ze had ongelijk. Een mens was wel degelijk wie hij was geweest. Ik hield stil bij de donkere etalage van een kosjer eethuis. Vroeger was het de winkel geweest van de gebochelde drogist Teitelbaum, die bekend stond om zijn gierigheid. Er werd verteld dat zijn bult niet bestond uit vlees en bloed, maar uit al het geld dat hij in zijn leven bij elkaar had geschraapt en waarvan hij geen moment scheiden kon, zodat hij het altijd op zijn rug droeg. Als kinderen drukten wij in de zomer de kleverige papiertjes van onze roomijsjes tegen zijn winkelruit. Dan kwam hij naar buiten en joeg ons, terwijl hij met beide handen zijn hoed op zijn hoofd klemde, scheldend achterna. Eens zat hij me zo dicht op de hielen dat hij me zeker zou hebben gegrepen, wanneer ik niet was gered door Sjroelik, de voddenman. Die tilde me door de lucht, zette me in zijn handkar en maakte zich snel met mij uit de voeten. Omkijkend, zag ik nog hoe Teitelbaum tierde en spuugde van woede. Flarden speeksel glinsterden in zijn dunne baard. Sjroelik lachte. Mijn moeder had me streng verboden met hem mee te rijden. Ze zei dat hij stonk als een muizenest. En misschien was dat ook zo, maar wij hielden van de oude man en zwermden na schooltijd om hem heen. Soms liet hij ons met vijven tegelijk aan boord van zijn kar klimmen. Daar zaten wij dan, bovenop de lompen, terwijl hij als een krakende sirene ‘Kinder, sjejne kinder!’ schreeuwde, alsof hij ons te koop aanbood.
Op zekere dag was Sjroelik dood. Een buurvrouw zei dat hij honderdtwintig jaar oud was geworden, net als Mozes. Niet alleen had ik dat destijds geloofd, ik was nog steeds bereid het te geloven. Staande voor het verlaten eethuis, miste ik Sjroelik hartstochtelijk. Ineens begreep ik heel goed waarom mijn vader tot het uiterste wilde gaan om een paar koffers met beschimmelde herinneringen terug te vinden. Zelf zou ik geen moment aarzelen, om als dat mogelijk was, de lang gestorven Sjroelik op te graven. Ik zou hem overeind helpen, zijn doodshemd voor zijn versleten zwarte jas verwisselen en hier en daar een kluitje aarde uit zijn baard vegen, om hem nog eenmaal zijn voddenkar over de kasseien te zien duwen. Dan moest wel de wind, net als vroeger op gure dagen, zijn sneeuwwitte oorlokken omhoog blazen, alsof zijn hoed vleugels kreeg.
Ik liep verder en ging de hoek om. Een mens was niet alleen wie hij was geweest, maar ook met wie en waar. Hij was de woorden die hij had gehoord en de stemmen waarmee ze waren gesproken, hij was de beelden die hij had gezien, de geuren die hij had geroken en alle handen die hem hadden aangeraakt. Mijn moeder zei wel dat het verleden geen belang had, maar waarom was ze dan voortdurend bezig het te bezweren? Iedere dag opnieuw moest ze Auschwitz onder cakerecepten en theevisites bedelven: de omgekeerde archeologie. Geen wonder dat ze gekant was tegen de plannen van mijn vader. Ze vreesde dat hij bij het spitten naar zijn koffers haar Pompeï zou blootleggen.

uit: Twee koffers vol - Carl Friedman

____