Een paar jaar later, toen die vriendin uit ons gezichtsveld was verdwenen, was het gedrag ten opzichte van de kat, van de meisjes die van tijd tot tijd bij me sliepen, doorslaggevend of ze mochten blijven of niet. Als de kat, wanneer ze over de dekens kwam aansluipen, ronkend als een speelse tijger, werd verwelkomd met een bits, ‘Weg in godsnaam met dat enge beest!’, dan gingen ze er zelf uit. En wel op staande voet. Met hun in kokende woede aangesjorde broekjes als kleurig koord om hun billen en in der haast aangeschoten kousen als slordig gerookte-palingvel krinkelend om hun kuiten. Maar één keer heeft het bijna op de heilige drieëenheid geleken. Man, vrouw en kat. Dat was toen er een hoogzwanger meisje bij me sliep dat zich met haar weke achterlijf aan me vastgestoken had, opdat die berstensvolle bewegende buik niet in de weg zou zitten en ik met mijn armen om haar heen haar zwabberzware borsten kon strelen en kneden. Het heilig zog begon er al uit te lopen en ik wreef steeds haar borsten nat met het kleverige vocht. Ineens lag de kat tegen haar aan en begon aan haar druppelende tepels te likken. Ontsteld wilde ze terugtrekken, maar ik hield haar in de wurggreep en kneedde steeds melk uit haar borsten. Tot ze het niet meer kon houden van het griezelend gierlachen om dat ruwe tongetje van vlezig schuurpapier dat krachtig over haar tepels slierde en ze schokkend tegen me klaar bleef komen.
____
